ECLI:NL:PHR:2015:2230
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing bij andere ouder bevestigd
De moeder en vader zijn gescheiden ouders van drie minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld. De hoofdverblijfplaats was bij de moeder, maar de kinderen werden onder toezicht gesteld en geplaatst bij de vader. De kinderrechter verleende een machtiging tot voorlopige uithuisplaatsing en verlengde deze machtiging tot eind 2015. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde deze beslissing in hoger beroep. De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze verlenging.
De moeder klaagde over onvoldoende motivering van het hof en het niet horen van de kinderen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had en dat het niet verplicht was elk argument gedetailleerd te behandelen. Het hof had een eigen oordeel gevormd op basis van diverse bronnen en de afhoudende houding van de moeder ten opzichte van de gezinsvoogdes. Het hof had de oudste dochter gehoord en het verzoek om de zoon te horen afgewezen met een deugdelijke motivering.
De Hoge Raad concludeerde dat de motivering van het hof voldoet aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging en art. 6 EVRM Pro. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de vader gehandhaafd bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing bij de vader blijft gehandhaafd.