Conclusie
“diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof voorwerpen als in het arrest genoemd verbeurd verklaard, de onttrekking aan het verkeer bevolen en de teruggave aan de rechthebbenden c.q. de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Herkenning van de verdachte
eerste middelklaagt over de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de camerabeelden en de aan de hand daarvan gedane herkenningen.
“2.4.6. Toepassing vanbewijsuitsluiting is voorts niet onder alle omstandigheden uitgesloten als sprake is van de—
zeer uitzonderlijke—
situatie (waarin het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro de rechter niet noopt tot toepassing van bewijsuitsluiting en evenmin sprake is van een op zichzelf reeds zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, maar) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.”
“De rechtbank ziet geen aanleiding om het openbaar ministerie ervan te verdenken dat zij deze gang van zaken opzettelijk heeft getracht te verbergen. Volstaan wordt dan ook met de opmerking dat het wenselijk was geweest indien het openbaar ministerie de gang van zaken duidelijker had opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen”.
vorderendie camerabeelden te verstrekken.
vrijwilligeafgifte van dergelijke beelden te
verzoekenaan de eigenaar of houder ervan, is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 21 december 2010, [1] althans uitsluitend voor die gevallen waarin de beelden onder het bereik vallen van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna ook: Wbp). De Hoge Raad verwijst wat betreft het bereik van de Wbp in zijn overwegingen in het bijzonder naar art. 1 van Pro die wet. Juist door die verwijzing maakt de Hoge Raad tot op zekere hoogte duidelijk dat in dit verband niet doorslaggevend is de vraag of de Wbp de (vrijwillige) verstrekking van deze beelden door de eigenaar of houder onder omstandigheden toelaat, [2] maar de voorvraag of de beelden “persoonsgegevens” betreffen, in de zin van art. 1 onder Pro a van die wet. Dat zijn:
elk gegeven [3] betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.
Van een burger kan geen uitgebreide kennis worden verwacht van het juiste beoordelingskader, binnen welk hij een verzoek van de opsporingsambtenaar of de officier van justitie moet wegen. Daarom staan de bevoegdheden alleen onder voorwaarden en omgeven met waarborgen het vorderen van gegevens toe. Ter bescherming van deze belangen, waarover hierna meer, is het dan ook van belang dat voor de verkrijging van gegevens in het belang van een opsporingsonderzoek de voorgestelde bevoegdheden worden toegepast.” [4]
tweede middelkomt op tegen het gebruik tot het bewijs van de eigen waarneming van de rechter in eerste aanleg. Daartoe betoogt de steller van het middel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd aangezien het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 februari 2012 noch het vonnis van 23 februari 2012 inhouden de waarneming van de “
rechtbank” met betrekking tot de gelijkenis tussen de verdachte en de man op de camerabeelden, één en ander zoals in de nadere bewijsoverweging beschreven.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed door het gebruik van een niet redengevende verklaring van de verdachte.