Conclusie
“met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”en 2
“een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden en drie dagen, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder de algemene en bijzondere voorwaarden als in het bestreden arrest vermeld. Het hof heeft de verdachte voor de genoemde feiten voorts veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Ten slotte heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in het bestreden arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen.
eerste middelklaagt - als ik het goed begrijp – dat het hof een tot het bewijs gebezigd proces-verbaal heeft gedenatureerd, terwijl (kennelijk met weglating van dit bewijsmiddel, DA) het onder 1 bewezenverklaarde voor zover inhoudende het
“seksueel binnendringen van het lichaam van die [betrokkene]”ontoereikend is gemotiveerd.
De verklaring van verdachteafgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 12 augustus 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van [betrokkene]:
“seksueel binnendringen”ook met weglating van dit bewijsmiddel toereikend is gemotiveerd. De in de bewezenverklaring bedoelde [betrokkene] heeft blijkens zijn als bewijsmiddel 4 opgenomen verklaring immers verklaard dat hij verdachte heeft gepijpt, terwijl de overige in de bewezenverklaring opgenomen seksuele handelingen – die tijdens dezelfde ontmoeting werden verricht als het pijpen - uit (meerdere) andere gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen. Daarbij merk ik op dat naar het oordeel van de Hoge Raad niet ieder onderdeel van de bewezenverklaring, zelfs niet de kern van de verweten gedraging, behoeft te berusten op meer dan één getuigenverklaring. [1] De klacht dat het hof een verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd, kan derhalve onbesproken blijven.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het onder 2 tenlastegelegde nietig te verklaren, althans dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van art. 261 Sr Pro en derhalve nietig moet worden verklaard.
uitdrukkelijk onderbouwde standpuntinhoudende – kort gezegd – dat en waarom de dagvaarding nietig moet worden verklaard. Het verweer kan echter niet doorgaan voor een standpunt zoals bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, aangezien dit standpunt, gezien de inhoud en strekking ervan, op de voet van art. 358, derde lid, Sv uitsluitend zou kunnen worden aangemerkt als een
uitdrukkelijk voorgedragen verweer. Naar mijn inzicht had het hof dit verweer inderdaad als zodanig moeten opvatten. De hiervan afwijkende beslissing moet worden opgenomen in het bestreden arrest, en zulks op grond van art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv met redenen omkleed.
onduidelijk is wat te zien is op de zeven afbeeldingen die ‘accessible’ waren en waarover de verdachte de beschikkingsmacht had”. Geconcludeerd wordt (
“Ik verzoek u daarom”) dat de in de tenlastelegging bedoelde
“kinderpornografische afbeeldingen daarin onvoldoende feitelijk zijn omschreven”, hetgeen moet leiden tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Hoewel het argument dat de afbeeldingen in de tenlastelegging onvoldoende feitelijk zijn omschreven als een conclusie wordt gepresenteerd van het eerder aangedragen punt dat onduidelijk is wat op de zeven afbeeldingen is te zien, lees ik hierin tevens een ander argument dat voor nietigverklaring van de tenlastelegging zou pleiten. Dat leg ik hierna uit.
kwalificatief(in tegenstelling tot te feitelijk) zijn, maar heeft het hof het verweer in zoverre kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als klagende dat de verdachte onvoldoende duidelijk was om welke concrete gedragingen het op de in de tenlastelegging bedoelde afbeeldingen ging. Gelet op de inhoud van de in de tenlastelegging opgenomen “categorieën” van seksuele gedragingen, inhoudende zeer duidelijk omschreven (verschillende) seksuele gedragingen, acht ik ’s hofs oordeel dat de omschrijvingen voldoende concreet zijn, niet onbegrijpelijk. Hoewel het hof het verweer als een bewijsverweer heeft opgevat, kan ’s hofs verwerping van het (niet gevoerde bewijs)verweer derhalve in zoverre als een verwerping van het beroep op de nietigverklaring van de dagvaarding worden beschouwd.
onduidelijk is wat te zien is op de zeven afbeeldingen die ‘accessible’ waren en waarover de verdachte de beschikkingsmacht had”verworpen door – kort gezegd - te overwegen dat en waarom uit het politieproces-verbaal en een verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat op de zeven betreffende afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke gedragingen zijn omschreven bij één of meerdere van de in de tenlastelegging opgenomen gedachtenstreepjes/categorieën. Ik meen dat het hof het verweer daarmee te beperkt heeft uitgelegd en dat het hof niet heeft gerespondeerd op de in het verweer schuilende rechtsvraag, die in cassatie wat duidelijker wordt opgeworpen. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt namelijk gesteld dat in de tenlastelegging
“geen specifieke handelingen welke zichtbaar zouden zijn geweest op de afbeeldingen worden ‘geïdentificeerd’ naar de zeven afbeeldingen die ‘accessible’ zouden zijn geweest, noch wordt verwezen naar concrete afbeeldingen of vindplaatsen van deze afbeeldingen in het procesdossier”. Het middel berust daarmee op de (rechts)opvatting dat alle afbeeldingen waarop de tenlastelegging betrekking heeft, in de tenlastelegging geïndividualiseerd moeten worden. Zo gelezen heeft het hof in zoverre onvoldoende op het verweer gerespondeerd. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden indien hof het verweer slechts kon verwerpen. Dat is het geval indien de bedoelde rechtsopvatting onjuist is. Deze opvatting zal ik dan ook hierna bespreken.
“bij voorkeur”zou moeten beperken tot
“het beschrijven van een gering aantal afbeeldingen, zo mogelijk ten hoogste vijf zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken”(rov. 3.7)
.Deze wenselijkheid heeft echter een praktische achtergrond en geen principiële, nu de Hoge Raad in rov. 3.5 en rov. 3.7 opmerkt dat tenlastelegging van het op grotere schaal voorhanden hebben van kinderporno vraagt om
“praktisch werkbare uitgangspunten”dan wel
“begrenzing van de omvang van het voorbereidend onderzoek enerzijds en de omvang van het onderzoek ter terechtzitting anderzijds”. Uit dit arrest kan mijns inziens niet worden afgeleid hoe de Hoge Raad oordeelt over de opvatting dat alle afbeeldingen waarop de tenlastelegging betrekking heeft, in de tenlastelegging geïndividualiseerd moeten worden. Zijn standpunt daaromtrent kan mijns inziens evenmin uit andere jurisprudentie worden afgeleid, nu de vraag naar de juistheid van die opvatting zich nog niet heeft voorgedaan. Wellicht lijkt dat op het eerste gezicht wel het geval in HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0226,
NJ2007/82, waarin het eveneens ging om het bezit van kinderporno. Het tweede middel klaagde onder meer
“dat het hof de tenlastelegging ten onrechte niet nietig had verklaard, doordat dit onderdeel van de tenlastelegging niet was toegespitst op een aantal concrete afbeeldingen, waardoor de verdachte zich niet tegen de beschuldigingen kon verdedigen”.De Hoge Raad oordeelde:
NJ2004/684. De Hoge Raad oordeelde in die zaak (waarin het openbaar ministerie cassatie had ingesteld) dat de tenlastelegging tot en met het vierde gedachtestreepje voldeed aan de vereisten van art. 261 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest ten aanzien van de nietigverklaring van dit gedeelte van de tenlastelegging. Aan de verdachte was bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat hij:
en(de afbeeldingen)
van vindplaatsen worden voorzien. [6]