Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij werd veroordeeld voor meermalen ontucht plegen met een minderjarige die aan zijn zorg was toevertrouwd in de periode 1991-1993.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op de verklaringen van het slachtoffer, die consistent waren en ondersteund werden door vroegtijdige bronnen zoals getuigenverklaringen en dagboeknotities. Ook de verklaring van verdachte over het oppassen en de aanwezigheid van pornografische literatuur in de woning van het slachtoffer vond het hof ondersteunend.
Het cassatiemiddel klaagde dat het bewijs uitsluitend steunde op de verklaring van één getuige, wat volgens art. 342 lid 2 Sv Pro niet is toegestaan zonder voldoende aanvullend bewijs. De Hoge Raad oordeelt echter dat de verklaringen van het slachtoffer voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, waaronder de verklaring van verdachte, en dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd.
Daarmee wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. De Hoge Raad bevestigt hiermee de toepassing van het bewijsminimum bij ontuchtzaken en de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen in samenhang met ander bewijs.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor ontucht met een minderjarige blijft in stand.