ECLI:NL:PHR:2015:2271
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing fictief legaat bij verkoop woning onder voorbehoud huurrecht en erfbelasting
De zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het oordeel van het gerechtshof Den Haag dat de verkoop van een woning door erflaatster aan belanghebbende en diens echtgenote onder voorbehoud van een huurovereenkomst tegen een huurprijs van €650 per maand, lager dan 6% van de WOZ-waarde, moet worden aangemerkt als een fictief legaat krachtens artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 (SW).
De feiten zijn dat erflaatster de woning verkocht voor €117.500, de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat, terwijl de WOZ-waarde voor 2011 €216.000 bedroeg. De huurovereenkomst voorzag in een huurprijs van €650 per maand, wat lager is dan het vereiste percentage van 6% van de WOZ-waarde, oftewel €1.080 per maand. De Inspecteur heeft daarom de woning als fictief legaat aangemerkt en erfbelasting geheven over een fictieve verkrijging van €88.570.
Belanghebbende stelde dat de verkoopprijs en huurprijs marktconform waren en dat artikel 10 SW Pro daarom niet van toepassing zou moeten zijn. Zowel de Rechtbank als het Hof verwierpen dit standpunt en bevestigden dat de lagere koopprijs en huurprijs duiden op omzetting van vererfbare eigendomsrechten in niet-vererfbare genotsrechten, waardoor de nalatenschap is verkleind en erfbelasting verschuldigd is.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de toepassing van artikel 10 SW Pro juist is, omdat de verkoopprijs lager was dan de waarde vrij in het economische verkeer en de huurprijs lager dan het wettelijk vereiste percentage. De fictiebepaling voorkomt dat erfbelasting wordt ontweken door omzetting van eigendom in genotsrechten. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de woning wordt als fictief legaat belast met erfbelasting.