Conclusie
Grey and brown colour
2.De vordering van Basil
3.Het vonnis van de voorzieningenrechter
4.Het arrest van het hof en het cassatieberoep
5.Beoordeling van het principale cassatieberoep
Onderdeel 1.2mist zelfstandige betekenis.
onderdeel 2.1heeft het hof in rov. 4.15 miskend dat als ontwerper in de zin van artikel 14 GModVo Pro slechts kan gelden degene die het uiteindelijke model feitelijk heeft ontworpen. En niet degene die daarvoor suggesties in de vorm van een schets heeft aangedragen, althans niet degene die het ontwerp heeft goedgekeurd. In het onderhavige geval moeten de freelance ontwerpers worden beschouwd als de ontwerper in de zin van voormelde bepaling. Dit onderdeel wordt nader uitgewerkt in de volgende onderdelen.
Onderdeel 2.2verwijt het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd te zijn getreden en een verrassingsbeslissing te hebben gegeven.
Onderdeel 2.3bestrijdt het oordeel van het hof als onbegrijpelijk omdat uit de processtukken niet blijkt dat Basil op basis van een schets nauwkeurige instructies heeft gegeven aan de freelance ontwerpers. Voorts voert zij aan dat Basil niet heeft betoogd dat de ontwerpers uitsluitend overleg hebben gevoerd met [betrokkene 3].
Onderdeel 2.4verwijt het hof dat het niet heeft uitgelegd waarom productie 32 van belang is voor zijn beslissing.
Onderdeel 2.5bevat klachten die betrekking hebben op de al dan niet aanwezigheid van specifieke kenmerken in de ten processe bedoelde schets.
Onderdeel 3.1klaagt over rov. 4.14 waarin het hof heeft overwogen dat voor inbreuk niet is vereist dat de “Java” een een-op-een kopie is van de Basil Denton mand. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld omdat het oordeel van het hof juist is. Het hof heeft in de bestreden overwegingen tot uitdrukking gebracht dat van een inbreuk ook sprake kan zijn als de verschillen tussen beide manden zo gering zijn dat ze als verwaarloosbaar moeten worden beschouwd en in dat geval van namaak moet worden gesproken, zoals, naar het hof heeft aangenomen, kennelijk ook de bedoeling was van [eiseres] naar blijkt uit de door het hof aangehaalde passage uit haar instructie aan de maker van haar mand. Op dit punt verwijst [eiseres] naar de jurisprudentie omtrent “ontlening” waartoe een mate van overeenstemming is vereist die van zodanige aard en omvang is dat het werk niet meer als zelfstandig werk kan worden beschouwd. [11] Naar mijn mening heeft het hof deze maatstaf niet miskend. Wat
onderdeel 3.2betreft volsta ik te verwijzen naar het feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof dat de vermelde verschillen zo gering zijn dat ze te verwaarlozen zijn.
6.Beoordeling van het incidentele cassatieberoep
Onderdeel 3voert aan dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof zijn oordeel niet heeft gemotiveerd. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag omdat uit voren aangehaalde passage blijkt dat het hof dit wel heeft gedaan, terwijl de beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van een bepaald werk en van de vraag of daarop door een ander werk inbreuk wordt gemaakt, in hoge mate feitelijk van aard is en daarom slechts in (zeer) beperkte mate vatbaar is voor toetsing in cassatie [14] . Voorts zij nog opgemerkt dat de motivering van die beslissing niet steeds vereist dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken [15]