Conclusie
2.Beoordeling van het cassatieberoep
alleengebaseerd op het strafrechtelijk delict
diefstal,de werkgever alle bestanddelen van die strafrechtelijke delictsomschrijving dient te bewijzen [5] . De bulk van de klachten, onderdelen 4.2.1 t/m 4.5 en 4.8 en 4.9, gaan er allemaal van uit dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] is ontslagen wegens diefstal in strikt strafrechtelijke zin. We zullen zo zien dat dat volgens mij niet klopt.
kunnenopleveren, waaronder (onder d) het geval dat de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt [6] . De reden moet zo dringend zijn, dat de opzegging onverwijld dient plaats te vinden [7] , waarbij onder omstandigheden een zeker tijdsverloop tussen de opzegging en het einde van de dienstbetrekking aanvaardbaar is [8] .
Tetterode – tankpas [22] ging het om een ontslag op staande voet wegens het meermalen tanken van
benzinedoor de echtgenote van de werknemer met een tankpas (met pincode) die de werknemer voor een (
diesel)leaseauto ter beschikking was gesteld. Het hof oordeelde dat tevergeefs vernietiging van het ontslag was gevorderd, omdat de werknemer het tanken door de echtgenote van
benzinegeweten moest hebben, althans dit niet of onvoldoende heeft bestreden. Dat bleef in cassatie zo in stand:
[C/D] [25] afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro. In de conclusie voor die uitspraak heeft A-G Huydecoper het volgende opgemerkt:
[E]/CP&A Outdoor [26] . Daarin is uitgemaakt dat uit het partijdebat bleek dat partijen het (niet vastomlijnde) begrip ‘fraude’, dat als ontslaggrond is gehanteerd, in verschillende zin hebben bedoeld en opgevat: de werknemer heeft dit begrip opgevat in - niet nader gespecificeerde - strafrechtelijke zin en de werkgever als het bewust onjuist invullen van administratieve registratielijsten. Het betreft dus, net als in onze zaak, verwarring over de kwalificatie het gehanteerde begrip met een strafrechtelijke kleuring, in dat geval ‘fraude’ en in ons geval ‘diefstal’. Uw Raad heeft in die zaak ‘fraude’ in de ontslagbrief gelezen als een samenvatting van de werknemer verweten gedragingen waarbij er voor de werknemer op dat punt ook geen misverstand kon bestaan – en dus niet als ‘fraude’ in strafrechtelijke zin. De ‘Wenk’-schrijver [27] onder deze uitspraak evalueert als volgt:
angehauchteterminologie in een ontslagbrief niet noodzakelijkerwijs steeds [betekent] dat aan alle elementen van een eventuele strafrechtelijke delictsomschrijving voldaan moet zijn. Als een opgegeven dringende reden weliswaar strafrechtelijke terminologie bevat, maar – alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – er geen enkele twijfel over kan zijn dat die dringende reden aldus moet worden begrepen dat de werkgever daarmee iets anders bedoelde, zal dat “andere” de te bewijzen ontslaggrond zijn. Aldus kunnen de al te scherpe randjes van de hoofdregel worden afgeslepen.’
LJNBJ2559].
onderdelen 4.1-4.5,gericht tegen rov. 4.6.5-4.6.14; ik geef deze overwegingen voor zover van belang hier voor de zelfstandige leesbaarheid weer:
alleenheeft gebaseerd op het gegeven dat [eiser] erop bedacht had moeten zijn dat de zakelijke tankpas niet ook gebruikt mocht worden voor andere auto’s dan bedrijfsauto’s, dit niet concludent is en verder onbegrijpelijk. Uit het ‘behoren te kennen’ van het tankbeleid volgt niet dwingend dat [eiser] zich bewust moest zijn van wederrechtelijk handelen of dat hij welbewust het risico heeft aanvaard dat Autocentrum dit zou betitelen als het zonder recht toe-eigenen van brandstof. Het onderdeel besluit met een veegklacht.
moet zijngeweest van het wederrechtelijke karakter van zijn handelen, zodat het hof de conclusie trekt dat hij zich daarvan ook bewust
isgeweest. Daar strandt dit onderdeel op.
alleeneen strafrechtelijk begrip die aldus gestelde dringende reden getoetst moet worden aan alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving, in dit geval ‘diefstal’.
erop bedacht had moeten zijndat de zakelijke tankpas niet voor andere auto’s dan bedrijfsauto’s mocht worden gebruikt, nog geen
oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigeningin de zin van art. 310 Sr Pro oplevert. Voor dat laatste is minimaal vereist dat [eiser] ondanks de wetenschap van een stringent tankbeleid niettemin de tankpas heeft gebruikt voor zijn privéauto. Pas dan is sprake van
wegnemen van een goed van een anderen daarover
als heer en meester gaan beschikken.
onderdeel 4.4 [37] ook voor zover het hof zijn zegen over het ontslag op staande voet ook baseert op zijn oordeel dat [eiser] in elk geval
welbewust het risico heeft aanvaarddat Autocentrum een dergelijk handelen zou betitelen als het wederrechtelijk toe-eigenen van brandstof. Daarmee wordt ook het strafrechtelijke oogmerk-criterium miskend en volgens de klacht lijkt het hof hier ‘voorwaardelijk opzet’ te verwarren met ‘oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’. Ook hiervoor geldt volgens [eiser] dat is miskend dat in dit geval moet worden getoetst aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving.
Zijn stelling dat het niet ongebruikelijk is dat een volle tank aan klanten wordt meegegeven, is gemotiveerd door Autocentrum weersproken met een beroep op haar verkoopformule (te weten dat bij een occasion een tankbon hoort van ongeveer 15 liter), en stuit voorts erop af dat het, zoals door Autocentrum is aangevoerd, niet een gewone commerciële koop betrof maar een interne personeelskoop, dat [eiser] de auto tegen inkoopprijs heeft overgenomen (en daarmee 20-25% heeft bespaard ten opzichte van een normale commerciële transactie), en dat alle extra’s zoals brandstof dan vanzelfsprekend door [eiser] betaald moesten worden. Bij een interne personeelskoop wordt zelfs geen 15 liter brandstof meegegeven, anders zou, aldus Autocentrum, bij de verkoop van een auto aan een werknemer altijd verlies worden geleden op de inkoop van een auto (vgl. stellingen inl. dagv. onder 33 E, conclusie van repliek onder 10-12, memorie van grieven onder 49).
heeft deze stellingen naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd weersproken met de stelling dat Autocentrum dit (te weten het niet toegestaan zijn van het afnemen van een (volle) tank bij een interne personeelskoop) nooit aan hem heeft meegedeeld (conclusie van antwoord onder 23, memorie van antwoord onder 30).
Het enkele ontbreken van een dergelijke mededeling brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat bij een interne personeelskoop, gelet op het daaraan reeds verbonden aanzienlijke voordeel in koopprijs, ook nog aanspraak bestond op een gratis tank brandstof. Feiten of omstandigheden waaruit een dergelijke vertrouwen kan worden afgeleid of waaruit anderszins volgt dat [eiser] in het kader van de koop ervan mocht uitgaan dat hij gerechtigd was tot het afnemen van een volle tank ten behoeve van de Laguna, zijn niet gesteld of gebleken.’
onderdeel 4.9staat weer een puur op onderdeel 4.8 voortbouwende veegklacht.
[E]/CP&A Outdoor-arrest hier wel één-op-één kan worden doorgetrokken. Ook daar legt [eisers] repliek in cassatie in 6 de vinger op: er is een verschil tussen de ontslaggrond ‘diefstal’ en het strafrechtelijk minder strak omlijnde en niet als zodanig als delict omschreven ‘fraude’. De reden dat ik meen dat dit in ons geval toch kan worden doorgetrokken en de uitleg dat hier niet bedoeld is diefstal in strafrechtelijke zin, in dit geval door de beugel kan, is dat kort na de ontslagbrief aan de grond ‘diefstal van bedrijfseigendommen’ een uitleg is gegeven zijdens Autocentrum die volstrekt civielrechtelijk is ingekleurd: daarmee wordt bedoeld twee keer gebruikmaken van een bedrijfstankpas voor een privéauto, terwijl het [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat hij daartoe niet gerechtigd was. De waarschuwingen in de hoofdstroom van de literatuur voor de praktische gevolgen om bij dit soort zaken te veel op het strafrechtelijke spoor te gaan zitten, lijken mij terecht en dat speelt hier op de achtergrond ook een rol.
subonderdelen 4.6.1-4.6.3(4.6.1 en 4.6.2 zijn alleen inleidend zonder klachten) wordt geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het kernbetoog van [eiser] dat de fiscale regeling bij Autocentrum niet het uitgangspunt was, omdat daarvan door Autocentrum werd afgeweken. [eiser] heeft in dit verband de volgende stellingen ingenomen:
subonderdeel 4.6.3.
subonderdeel 4.6.4is de vaststelling van het hof in rov. 4.6.12 dat dit temeer klemt nu uit de stelling van [eiser] volgt dat de bewuste tankbeurten overwegend, zo al niet uitsluitend, zijn benut ten behoeve van privégebruik, evident in strijd met de passage in rov. 4.6.3 dat uit de eigen stellingen van [eiser] volgt dat hij vanaf 14 november 2008 de Laguna zowel zakelijk als privé heeft gebruik (wat ook volgt uit [eisers] stellingen). De gewraakte passage uit rov. 4.6.12 vormt zo ook een onjuiste lezing van [eisers] stellingen, zodat dit ook zo bezien onbegrijpelijk is.
Z/Boekhandel De Tille)), althans had deze wetenschap niet mogen worden aangenomen zonder bewijsvoering. Door dit achterwege te laten heeft het hof hetzij deze regel miskend, danwel onvoldoende gemotiveerd.
obiterkarakter kan de klacht hier niet slagen. Daar komt bij dat van innerlijke tegenstrijdigheid met rov. 4.6.3 geen sprake is. Het eerste sluit het tweede niet uit. Van onbegrijpelijkheid is geen sprake in het licht van de stellingen van [eiser] bij MvA 23, 27, 29 en 31, waar uit volgt dat hij de Laguna heeft getest door er proef mee te rijden. Dat het hof dat aanmerkt als (hoofdzakelijk) privé-ritten, lijkt mij niet onbegrijpelijk.
in het midden worden gelaten,heeft te gelden dat [eiser] wist althans erop bedacht had moeten zijn dat de zakelijke tankpas niet ook privé gebruikt mocht worden. Dat wordt dus zelfstandig gedragen door rov. 4.6.8 t/m 4.6.10, zonder de gewraakte verklaringen. Aan inhoudelijke bespreking hoeft dan, meen ik, niet te worden toegekomen.
onderdeel 4.10richt zich tegen de volgende passage uit rov. 4.6.3:
subonderdeel 4.10.1.
subonderdeel 4.10.2onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 4.10.3.
onderdeel 4.11niet tot cassatie leiden.