ECLI:NL:PHR:2015:2300

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2015
Publicatiedatum
24 november 2015
Zaaknummer
14/04197
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SvArt. 80a ROArt. 81 ROArt. 409 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf en schadevergoedingsmaatregel bij voortgezette afpersing

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens voortgezette afpersing gepleegd door meerdere personen, met geweld en bedreiging, waarbij slachtoffers zwaar werden mishandeld en vastgebonden. Tevens legde het hof schadevergoedingsmaatregelen op ten behoeve van twee benadeelde partijen.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak, waarbij onder meer werd geklaagd over een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en over de toekenning van wettelijke rente bij de schadevergoedingen aan de benadeelde partijen. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden, omdat de inzendtermijn van stukken binnen acht maanden was nageleefd en de langere behandeltermijn van ruim 26 maanden niet tot cassatie aanleiding gaf.

Wel werd geoordeeld dat het hof ten onrechte de wettelijke rente bij de schadevergoedingen had toegewezen, omdat niet was gebleken dat deze rente door de benadeelde partijen was gevorderd. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de wettelijke rente betrof, maar verwierp het cassatieberoep voor het overige. De strafoplegging en overige beslissingen bleven daarmee in stand.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het deel van het arrest over wettelijke rente, bevestigt acht jaar gevangenisstraf en overige schadevergoedingsmaatregelen.

Conclusie

Nr. 14/04197
Zitting: 29 september 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 augustus 2014 de verdachte wegens “de voortgezette handeling van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl ten tijde van het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan en/of diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl ten tijde van het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest. Het Hof heeft tevens beslist op de vorderingen van twee benadeelde partijen. Voorts heeft het Hof aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd ten behoeve van die benadeelde partijen en heeft het Hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld. [2]

4.Middel 1

4.1.
Het middel klaagt over ’s Hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn.
4.2.
Uit de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 22 juli 2015 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid het volgende naar voren heeft gebracht met betrekking tot de redelijke termijn:
“25. Tot slot verzoekt de verdediging uw Hof rekening te houden met de redelijke termijn en artikel 63 Wetboek Pro van Strafvordering.
26. De Hoge Raad volgt in het kader van artikel 409 Wetboek Pro van Strafvordering de lijn dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn wanneer er meer dan 8 maanden verstrijken tussen het instellen van het appèl en de binnenkomst van het dossier bij de griffie van de appèlrechter. In deze zaak is de dato 29 mei 2012 appèl ingediend. Echter, pas op 08 augustus 2013 heeft de verdediging een afschrift van de stukken van het Hof ontvangen, ruim een jaar en 3 maanden later.
27. De verdediging verzoekt uw Hof deze overschrijding van de redelijke termijn mee te nemen in de strafmotivering in het geval uw Hof tot een bewezenverklaring komt.”
4.3.
Het Hof heeft de verdachte, als gezegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. De motivering van die straf luidt als volgt:
“De rechtbank heeft verdachte – na een eis van een gevangenisstraf van zeven jaren door de officier van justitie – veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte en de medeplegers hebben een gezin in hun eigen woning overvallen. De jonge kinderen van dit gezin waren hier ook bij aanwezig. De slachtoffers zijn met een vuurwapen bedreigd en zowel de ouders als de jonge dochter zijn vastgebonden. Eén van de slachtoffers kreeg met een stroomstootwapen een elektrische schok toegediend. Een ander slachtoffer werd een kussen op het hoofd gedrukt. Verdachte heeft enkel gehandeld uit geldelijk gewin en heeft daarbij geen oog gehad voor de gevoelens van de slachtoffers. De overval heeft een enorme impact gehad op de slachtoffers. Dit soort zaken veroorzaakt voorts maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid.
Ten nadele van verdachte houdt het hof er rekening mee dat verdachte reeds meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Voorts houdt het hof er rekening mee dat er tussen de pleegdatum van het feit en het wijzen van dit arrest een veroordeling heeft plaatsgevonden en dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht daarom van toepassing is.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. “
4.4.
Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan eveneens slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Als uitgangspunt geldt dat de zaak in hoger beroep binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld met een einduitspraak moet zijn afgerond en binnen zestien maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. Bijzondere omstandigheden, die onder meer te maken kunnen hebben met de ingewikkeldheid van de zaak, de procesopstelling van de verdachte en de voortvarendheid van de behandeling door de justitiële autoriteiten, kunnen maken dat een langere termijn voor redelijk kan worden gehouden. Daarnaast geldt een redelijke inzendtermijn van acht maanden, waarmee wordt bedoeld dat de stukken van het geding binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter moeten zijn binnengekomen. Die inzendtermijn is korter – namelijk zes maanden – in zaken waarin op of na 1 september 2008 hoger beroep is ingesteld en waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. Een eventuele overschrijding van de inzendtermijn kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep. [3]
4.5.
In de onderhavige zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke inzendtermijn was overschreden, omdat het appel op 29 mei 2012 was ingesteld en de raadsman pas op 8 augustus 2013 een afschrift van de stukken zou hebben ontvangen. Op die stelling bouwt het middel voort. Met de inzendtermijn wordt echter bedoeld de periode tussen de datum waarop appel is ingesteld en de datum waarop de stukken bij de griffie van het Hof zijn binnengekomen. In de onderhavige zaak is op 29 mei 2012 hoger beroep ingesteld. Uit het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv Pro toegezonden dossier kan worden afgeleid dat de stukken op 26 oktober 2012 bij de griffie van het Hof zijn binnengekomen. Van een overschrijding van de inzendtermijn is dus geen sprake geweest. Ik merk daarbij op dat het middel ook nog eens feitelijke grondslag mist voor zover het stelt dat de verdachte ten tijde van het instellen van het appel – in verband met deze zaak – in voorlopige hechtenis zat. Dat was niet het geval. [4] Uitgegaan moet dus worden van een inzendtermijn van acht maanden, en niet van zes, zoals het middel wil doen geloven.
4.6.
Iets anders is dat de behandeltermijn van twee jaar wel is overschreden. De termijn tussen het instellen van het hoger beroep (29 mei 2012) en de uitspraakdatum (5 augustus 2014) beloopt ruim 26 maanden. Het middel klaagt ook over die overschrijding. De vraag is evenwel of voor die klacht is cassatie plaats is. Hoewel de door het Hof gebruikte formulering “dat de redelijke termijn niet is geschonden” ongelukkig is uitgevallen, heeft het Hof daarmee kennelijk enkel gerespondeerd op het door de verdediging gevoerde verweer dat de inzendtermijn is geschonden [5] . Het Hof was naar mijn oordeel niet ambtshalve gehouden om in het gevoerde verweer aanleiding te vinden om uiteen te zetten waarom de overschrijding van de behandeltermijn naar zijn oordeel vanwege (bijvoorbeeld) de complexiteit van de zaak geen schending van de redelijke termijn opleverde, of althans geen schending die door strafvermindering dient te worden gecompenseerd.
4.7.
Daarop stuit het middel af.

5.Middel 2

5.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente, nu niet kan worden gecontroleerd of die wettelijke rente ook is gevorderd.
5.2.
Het Hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen “vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.” Daartoe overwoog het Hof het volgende in het bestreden arrest:

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De vordering is door of namens verdachte niet inhoudelijk bestreden.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De vordering is door of namens verdachte niet inhoudelijk bestreden.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
5.3.
Het middel klaagt, als gezegd, over de wettelijke rente die de verdachte moet vergoeden. Uit de stukken blijkt niet dat de benadeelde partijen die wettelijke rente ook hebben gevorderd, aldus het middel. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevinden zich geen voegingsformulieren. [6] Uit de overige stukken van het geding blijkt evenmin dat er wettelijke rente is gevorderd. Weliswaar heeft de officier van justitie in eerste aanleg verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen “met vergoeding van de wettelijke rente”, [7] maar dit lijkt mij onvoldoende om aan te nemen dat die wettelijke rente ook daadwerkelijk is gevorderd. Uit de behandeling in hoger beroep kan evenmin worden afgeleid dat de wettelijke rente in eerste aanleg is gevorderd. [8] Kortom, tegen deze achtergrond heeft het Hof ten onrechte beslist dat de wettelijke rente vergoed moet worden. [9]
5.4.
Het tweede middel slaagt derhalve.
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (14/04186), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
2.Aanvankelijk had de raadsman van de verdachte binnen de daarvoor (ex art. 437, lid 2, Sv) gestelde termijn een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld. Tevens heeft hij tijdig bij de rolraadsheer de voegingsformulieren van de benadeelde partijen opgevraagd. Omdat de desbetreffende voegingsformulieren in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier ontbraken zijn de voegingsformulieren opgevraagd bij het Hof, zij het tevergeefs. In overleg met de rolraadsheer is de raadsman vervolgens een nadere termijn verleend voor het wijzigen/aanvullen van zijn schriftuur. Van deze mogelijkheid heeft de raadsman – tijdig – gebruik gemaakt door nog een tweede middel te formuleren met betrekking tot de vordering van de benadeelde partijen.
3.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.16 t/m 3.18.
4.Verdachte was wel gedetineerd, maar uit anderen hoofde, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 22 juli 2014. Verdachte verklaarde op die zitting: “Ik zit nu gedetineerd voor een overval in Purmerend.” Het openbaar ministerie heeft op die zitting de gevangenneming van de verdachte gevorderd. Het Hof heeft vervolgens de gevangenneming van de verdachte bevolen. Dit alles brengt mee dat in hoger beroep de 24-maanden termijn gold en niet de 16-maanden termijn (voor gedetineerden).
5.Het Hof overweegt expliciet: “
6.Voordat het tweede middel werd voorgesteld, heeft de raadsman van verdachte de voegingsformulieren bij de rolraadsheer van de Hoge Raad opgevraagd (zie voetnoot 2).
7.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 9 mei 2012. Overigens heeft de Rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen ook toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente.
8.De advocaat-generaal vorderde dat “de vorderingen benadeelde partijen toegewezen [dienen] te worden, telkens voorzien van de schadevergoedingsmaatregelen.” Dat blijkt uit het aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep gehechte requisitoir. Uit de aan datzelfde proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen blijkt dat de verdediging het Hof heeft verzocht “de benadeelde partij” niet-ontvankelijk te verklaren.
9.HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547