Conclusie
Feiten en procesverloop
- i) Eiser tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep (hierna: [de man] ) en verweerster tot cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep (hierna: [de vrouw] ) zijn op 25 juni 1966 in Malang (Indonesië) gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
- ii) Omstreeks 1971 hebben [de man] en [de vrouw] zich in Nederland gevestigd. Zij hebben in 1982 de Nederlandse nationaliteit verkregen.
- iii) Tijdens het huwelijk heeft [de man] pensioenrechten opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) en bij de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten (hierna: SPMS).
- iv) Op 6 maart 1995 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidings-beschikking van 21 februari 1995. Krachtens deze beschikking dient de vrouw mee te werken aan de verdeling van de huwelijksgoederen gemeenschap.
- v) Op 29 juli 1994 was tussen partijen een echtscheidingsconvenant tot stand gekomen. In artikel 1 onder Pro II.e van dat convenant is het volgende bepaald:
- vi) In 1995 is [de vrouw] teruggekeerd naar Indonesië en heeft zij weer de Indonesische nationaliteit verkregen. [de man] heeft de Nederlandse nationaliteit behouden.
- vii) [de man] heeft op 23 december 1998 zijn alimentatieverplichting jegens [de vrouw] afgekocht. Daarna is hij betalingen aan en ten behoeve van [de vrouw] blijven doen tot 22 mei 2009.
- viii) [de man] is in januari 1999 vervroegd met pensioen gegaan. Op [geboortedatum] 2003 is hij 65 jaar geworden. Hij is ouderdomspensioen gaan ontvangen van zowel het ABP als SPMS.
- ix) Op 19 oktober 2011 heeft [de vrouw] , die in juni van dat jaar 65 jaar was geworden, een beslagrekest ingediend bij de griffie van de (toenmalige) rechtbank Haarlem tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder SPMS. De rechtbank heeft, na een mondelinge behandeling op 9 november 2011, bij beschikking van 23 november 2011 het verlof geweigerd.
( [1] )heeft geformuleerd. Die regels brengen mee dat de verdeling dient te geschieden in de vorm van verrekening van de waarde van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Omdat de verrekening van het ABP-pensioen nog moet plaatsvinden, ziet de rechtbank nog geen grond voor toewijzing van de vordering om [de man] op te dragen aan het ABP de instructie te geven dat het aan [de vrouw] toekomende deel van het ABP-pensioen rechtstreeks aan [de vrouw] wordt uitgekeerd.
( [2] )
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
( [3] )Dit betekent dat, nu het hof het beroep van [de vrouw] op de brief van 3 oktober 2011 niet heeft gehonoreerd, het hof ten onrechte de beslissing van de rechtbank omtrent het tijdstip van de stuiting heeft vernietigd en dat derhalve van de door de rechtbank vastgestelde datum van stuiting, te weten 28 augustus 2012 is uit te gaan.
“dat de vordering van [de vrouw] uit hoofde van pensioenverrekening is verjaard voor zover het betreft pensioenuitkeringen die tot en met 9 november 2006 van SPMS zijn ontvangen en de vorderingen van [de vrouw] dus pas vanaf die datum toewijsbaar is, terwijl de door [de man] genoemde bedragen zijn betaald in de periode 1995 tot en met 2008. Het gaat dus uiteindelijk om een aanzienlijk lager bedrag dat reeds door [de man] (in de periode eind 2006 tot eind 2008) is bijgedragen aan het levensonderhoud van [de vrouw] . [de man] heeft bovendien onvoldoende toegelicht dat de maandelijkse betalingen aan [de vrouw] dienden ter uitvoering van een afspraak in het echtscheidingsconvenant.”
“De rechtbank heeft voorts miskend dat aan [de man] het recht op verrekening toekomt; [de man] heeft het recht de bedragen die onverschuldigd aan [de vrouw] heeft betaald, zijnde een bedrag van € 239.168,62, te verrekenen met de gestelde – maar betwiste – aanspraken van [de vrouw] op het door [de man] opgebouwde pensioen bij ABP en SPMS.”
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
“Het ABP-ouderdomspensioen dient alsnog met toepassing van het “Boon/Van Loon”-regime te worden verrekend. Bij gebreke van een wettelijke voorziening kan het ABP in deze procedure tussen [de man] en [de vrouw] niet worden verplicht een gedeelte van de pensioenuitkering rechtstreeks aan [de vrouw] uit te betalen. Een rechterlijke voorziening als door [de vrouw] gevorderd is hier niet aan de orde.”
alsnogmet toepassing van het “Boon/Van Loon”-regime te worden verrekend. De verdeling had dus nog niet plaatsgevonden, toen het hof zijn arrest wees. Reeds daarin kon het hof aanleiding vinden om niet aan [de man] op te dragen om aan het ABP instructies te geven voor het rechtstreeks aan [de vrouw] uitbetalen van een gedeelte van het ouderdomspensioen.
( [4] ), dan stelt artikel 3:94 lid 1 BW Pro [de vrouw] in staat om als verkrijgster van de rechten zelf aan het ABP van die cessie mededeling te doen. Dit laatste brengt mee dat [de vrouw] in zoverre ook geen belang heeft bij de afwijzing van haar vordering om aan [de man] het geven van instructies aan het ABP inzake de uitbetaling aan [de vrouw] van een gedeelte van het ouderdomspensioen op te dragen.
“Een rechterlijke voorziening als door [de vrouw] gevorderd is hier niet aan de orde”,vormt, naar het voorkomt, een conclusie uit wat in de twee voorafgaande zinnen wordt overwogen. Die conclusie is dat de voorziening die [de vrouw] van de rechter verlangt, door deze laatste niet kan worden geboden omdat voor de verlening daarvan in het recht niet een voldoende grondslag is te vinden.