Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de middelen
onderdeel 1van het cassatiemiddel komt [verzoeker] op tegen het oordeel dat het vorderingsrecht van [verweerder] summierlijk is komen vast te staan. [verzoeker] klaagt dat het Hof heeft miskend dat de vordering ingesteld had moeten worden tegen een ander dan [verzoeker], te weten de Stichting Beheer Derdengelden, omdat zij de schuldenaar van [verweerder] zou zijn.
dezelfdepartijen. Overigens zou het beoogde verweer ook niet eraan afdoen dat de Rechtbank Den Haag in een op 16 juni 2014 tussen [verweerder] en [verzoeker] gewezen tussenvonnis de bindende eindbeslissing heeft genomen dat de vordering tot betaling door [verzoeker] aan [verweerder] van een bedrag van € 27.000,- toewijsbaar is. [6] Aan dat oordeel lag de overweging ten grondslag dat [verzoeker] het door hem ten onrechte uit hoofde van verrekening aan de derdengeldrekening onttrokken bedrag dat daarop ten gunste van [verweerder] was gestort aan [verweerder] dient te betalen. In de opvatting van voornoemde Rechtbank is er derhalve als gevolg van deze onbevoegde verrekening een vordering van [verweerder] op [verzoeker] ontstaan. [7] Tegen die achtergrond bezien is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2stelt [verzoeker] dat het Hof heeft miskend dat de vordering van [verweerder] door verrekening via betaling via de Stichting Beheer Derdengelden is tenietgegaan. [8] [verzoeker] stelt dat de overweging van de Rechtbank Den Haag in haar tussenvonnis van 16 juli 2014, door het Hof eigen gemaakt, dat verrekening niet mogelijk is geweest, doordat niet van instemming door [verweerder] met verrekening is gebleken, onjuist of onbegrijpelijk is. De omstandigheid dat ingevolge de gedragsregels voor de advocatuur niet verrekend mag worden zonder uitdrukkelijke toestemming van de cliënt-debiteur, laat onverlet dat als er toch zonder toestemming verrekend wordt, de vordering hoe dan ook teniet is gegaan, nu het gedragsrecht niet zonder meer toepasbaar is in het civiele recht.
onderdeel 3ziet op overwegingen van het Hof die volgens [verzoeker] voortbouwen op het zijns inziens onjuiste oordeel dat verrekening niet mogelijk was zonder toestemming van [verweerder]. Het onderdeel bouwt derhalve voort op het vorige onderdeel en moet het lot daarvan delen.
onderdeel 5keert [verzoeker] zich tegen het oordeel dat summierlijk van steunvorderingen is gebleken. [verzoeker] klaagt over de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel dat de omstandigheid dat de echtgenote van [verzoeker] onder ontbindende voorwaarde dat het faillissement wordt vernietigd de schuld aan de Belastingdienst wil voldoen, niet maakt dat deze vordering thans niet bestaat. Het Hof had de betaling aan de curator als betaling moeten aanmerken; het is geen betaling geweest onder opschortende voorwaarde of enkel als zekerheid. Bij een beoordeling ex nunc kan de vordering van de Belastingdienst dan ook niet als steunvordering worden aangemerkt.
onderdeel 7stelt [verzoeker] - kort gezegd - dat het er hier voor gehouden moet worden dat de door [verweerder] gestelde en door hem betwiste steunvordering van Euro Maksim Plaza niet bestaat. Het onderdeel mist in het licht van het bovenstaande belang.