Conclusie
Mr. P. Vlas
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een ondertoezichtstelling van twee minderjarige dochters na een ernstig geweldsincident waarbij de vader de moeder aanviel met een zwaardachtig voorwerp. De moeder en vader hadden gezamenlijk gezag over de oudste dochter en de moeder eenhoofdig gezag over de jongste. De moeder verzocht om benoeming van een deskundige voor tegenonderzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen.
De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, dat het verzoek opnieuw beoordeelde en het afwees met het oog op het belang van de minderjarigen. Het hof overwoog dat de moeder voldoende gelegenheid had gehad om gemotiveerd weerwoord te bieden en dat een nieuw onderzoek de kinderen onnodig zou belasten, mede omdat in een parallelle procedure al nader onderzoek was bevolen en de oudste dochter aangaf niet opnieuw te willen spreken.
De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, stellende dat het hof de juiste maatstaf niet had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had gevolgd, de belangen van het kind had meegewogen en dat het oordeel voldoende gemotiveerd en begrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen.