Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1komt de moeder op tegen de afwijzing van haar subsidiaire verzoek om een deskundige te benoemen op de voet van art. 810a Rv. In
onderdeel 2.2klaagt de moeder over het passeren van haar aanbod om getuigen te doen horen.
Onderdeel 2.3behelst de klacht dat het hof een verboden prognose heeft gegeven van de uitkomst van de verzochte contra-expertise.
Onderdeel 2.4klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een ernstige bedreiging in de zin van art. 1:254 BW Pro, rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk is in het licht van de door de vrouw overgelegde rapporten van de kindertherapeute Böhm-Dekkers [11] .
Onderdeel 2.5klaagt dat het hof het bepaalde in art. 149 en Pro 150 Rv over de stelplicht en de bewijslastverdeling heeft miskend, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
feitvoldoende gemotiveerd betwistte, kon de kinderrechter dit feit niet zonder meer als ten processe vaststaand aannemen. Voor zover de moeder een door de Raad voor de kinderbescherming aan een bepaald feit verbonden
gevolgtrekkingbetwistte, gaat het om een beoordeling, waarvoor het advies van een deskundige voor de rechter van nut kan zijn maar niet
per senoodzakelijk is. In de praktijk worden feiten en gevolgtrekkingen in rapportages in de sector jeugdhulpverlening niet altijd strikt gescheiden gehouden. In een recente publicatie van de Kinderombudsman zijn juist op dit punt aanbevelingen gedaan [15] .
equality of armsgeweld werd aangedaan: de rapportage van de Raad bepaalt in de praktijk in hoge mate de uitkomst en er is te weinig mogelijkheid voor kritische tegenspraak [18] . Beide commissies bepleitten ruimere mogelijkheden voor contra-expertise. Na discussie hierover en een motie vanuit de Tweede Kamer [19] , is van regeringswege een bepaling voorgesteld die ouders een recht op contra-expertise gaf. Tegen de voorgestelde bepaling werd vanuit de Tweede Kamer ingebracht dat deze alleen soelaas bood voor ouders die de in te schakelen deskundige zelf kunnen betalen [20] . In verband daarmee werd een amendement voorgesteld. Het tweede en derde lid van art. 810a Rv luiden thans, voor zover van belang:
equality of arms, een onderdeel van het in art. 6 lid 1 EVRM Pro bedoelde recht op een eerlijk proces, wordt in vaste rechtspraak van het EHRM omschreven als: “(…) each party must be afforded to be given a reasonable opportunity to present his or her case − including evidence − under conditions that do not place him/her at a substantial disadvantage vis-à-vis his/her opponent” [30] . Die vraag is in de bestreden beschikking niet beantwoord. Om deze reden acht ik onderdeel 2.1 gegrond en kan de bestreden ondertoezichtstelling niet in stand blijven. Indien het hof van oordeel is geweest dat de
equality of armsvoldoende was verzekerd door het feit dat de moeder in het stadium van het hoger beroep zich eigener beweging had voorzien van het rapport van een kindertherapeute, is zonder nadere redengeving voor de lezer niet duidelijk waarom het hof − in een veronderstelde
battle of the experts− juist het standpunt van de Raad voor de kinderbescherming heeft gevolgd.
Onderdeel 2.2klaagt dat het aanbod van de moeder om bewijs te leveren door middel van getuigen niet is gehonoreerd. Blijkens de pleitnota in hoger beroep gaat het om:
family lifemoet wijken. Van een zo ernstige situatie is volgens de klacht geen sprake, hetgeen zou blijken uit de in het middel geciteerde passages uit de rapportage van mw. Böhm-Dekkers. Volgens de klacht ligt het veeleer voor de hand dat, waar angst de dominante factor was, de kinderen eerst ruim de tijd krijgen om zonder angst hun draai te vinden op school, in het gezin en in de maatschappij en niet dadelijk worden geconfronteerd met een vader die zich in dat kader heeft gediskwalificeerd. Voor zover het hof het oog heeft gehad op het belang van de vader, heeft het hof volgens de klacht hetzij miskend dat het belang van het kind voorop staat, hetzij zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.