Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
ondubbelzinnig” toestemming heeft gekregen van de rechthebbende (de oorspronkelijke pandgever). Zoals Marell-nieuw terecht heeft opgemerkt is in het onderhavige geval gesteld noch gebleken van een dergelijke ondubbelzinnige toestemming. Integendeel, art. 14 van Pro de pandovereenkomst tussen Marell-oud en Pegas verbiedt Pegas met zoveel woorden de in pand gegeven goederen te verpanden. Daarmee staat voorshands vast dat geen toestemming tot herverpanden is gegeven door Marell-oud, hetgeen inhoudt dat de herpandhouder (ABN AMRO) geen geldig pandrecht heeft verkregen. Over (mogelijke) derdenbescherming in deze is door partijen niet gesproken.
2.Bespreking van het middel
.
doorgaansaangenomen dat herverpanding moet worden onderscheiden van de verpanding van een vordering die door een pandrecht wordt gedekt. Daarbij wordt onder meer wordt gewezen op de volgende verschillen. [14]
houdervestigt in eigen naam op het aan hem verpande goed een nieuw pandrecht tot zekerheid van zijn (of een anders) schuld aan een derde. Art. 3:242 verlangt Pro dat de pandgever hem daartoe de bevoegdheid ondubbelzinnig heeft toegekend. Aangenomen wordt dat door het vestigen van een herpandrecht de oorspronkelijke pandhouder/herpandgever tegenover de herpandnemer afstand van zijn rang heeft gedaan.