Conclusie
MEGALIM INVESTEMENTS B.V.
DE VEENBLOEM B.V.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat de bevoegdheid tot het doen van een faillissementsaanvraag slechts aan de schuldeiser, hetgeen in dit geval wil zeggen de pandgever en niet aan de inningsbevoegde pandhouder toekomt. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘schuldeiser’ in art. 1 Faillissementswet Pro (Fw). De faillissementsaanvraag is een onderdeel van de bevoegdheid om de vordering te innen. Aangezien de inningsbevoegdheid aan de pandhouder toekomt is deze tevens bevoegd het faillissement van de schuldeiser aan te vragen.
Onderdeel 2richt zich op het oordeel van het hof dat nu de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement bij de pandgever ligt, deze niet bij de pandhouder kan liggen. Volgens het onderdeel zijn zowel de pandgever als de pandhouder bevoegd om het faillissement van de panddebiteur aan te vragen.
Onderdeel 3bouwt voort op de onderdelen 1 en 2.
Rabobank/Stormpolder, [6] waarin het ging om een executoriaal derdenbeslag op een vordering waaraan een hypotheekrecht was verbonden. De Hoge Raad oordeelde dat de beslaglegger (de Rabobank) het aan de vordering verbonden hypotheekrecht kan uitoefenen in die zin dat hij bij de verdeling van de executieopbrengst voorrang krijgt boven de schuldeisers van de geëxecuteerde, omdat de beslaglegger op grond van art. 477 jo Pro. 477a Rv zijn vordering op de geëxecuteerde kan verhalen door inning van de vordering van de geëxecuteerde op de derde-beslagene. Hiermee is volgens de Hoge Raad in overeenstemming dat de beslaglegger profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven de andere schuldeisers die verhaal zoeken op het verhypothekeerde goed. Een andere opvatting zou tot ongerechtvaardigde verrijking van de andere schuldeisers ten koste van de geëxecuteerde leiden [7] .
IAE/Neo-River. In die zaak was door de pandgever afstand van de (verpande) vordering gedaan. De vraag was of hij daartoe bevoegd was. De Hoge Raad beantwoordde die vraag bevestigend [8] :
.
IAE/Neo-Rivervolgt dat de pandhouder niet bevoegd is om het faillissement aan te vragen is is mijns inziens dan ook betwistbaar. Voor de onderhavige zaak moet worden uitgemaakt of de bevoegdheid om het faillissement van de schuldenaar aan te vragen tot de inningsbevoegdheid van de pandhouder behoort dan wel tot de overige schuldeisersbevoegdheden gerekend moet worden.
IAE/Neo-Rivergrote betekenis toegekend aan de wetsgeschiedenis bij art. 3:246 BW Pro. De wetgever was destijds van oordeel dat bevoegdheden die de pandgever diepgaand treffen, zoals het verrichten van rechtshandelingen als kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en ontbinding, bij de pandgever dienen te blijven. Volgens de wetgever is de pandhouder alleen in het aan hem verpande geïnteresseerd voor zover dit hem zijn vordering waarborgt en behoren hem slechts bevoegdheden die dit belang dienen te worden toegekend. [10]
Rabobank/Stormpolder. In dat arrest werd immers geoordeeld dat de bevoegdheid van de pandhouder om de vordering te innen tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten omvat. [12] Dat het verhaalsrecht van artikel 3:227 BW Pro niet in artikel 3:246 BW Pro wordt genoemd achtte de Hoge Raad geen beletsel. Onder meer heeft de Hoge Raad daarin overwogen:
Marell/ABN Amrowaarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de inningsbevoegdheid tevens de bevoegdheid omvat tot het innen van vorderingen op derden. [13] De Hoge Raad overwoog:
ICH/UPC, [19] waarin is geoordeeld dat “de beneficial holders die als de economisch gerechtigden kunnen worden beschouwd (...) uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid op één lijn worden gesteld met de schuldeisers als bedoeld in de Nederlandse Faillissementswet (…)”.