De zaak betreft de verdachte die door het hof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, namelijk het aanwezig hebben van 301 hennepplanten in een woning. De verdachte stelde in hoger beroep dat hij niet op de hoogte was van de hennepkwekerij en dat een vriend deze had opgezet. De verdediging verzocht het hof om een getuige, de broer van de verdachte en huurder van de woning, te horen, die belangrijke verklaringen kon afleggen over de situatie en de betrokkenheid van de verdachte.
Het hof wees het verzoek tot het horen van deze getuige af met het oordeel dat onvoldoende was onderbouwd waarom het horen van de getuige van belang zou zijn voor de strafzaak. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat de getuige verklaringen kon geven over cruciale onduidelijkheden en het verzoek niet voldoende gemotiveerd is afgewezen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof het oordeel omtrent medeplegen onvoldoende heeft gemotiveerd. De bijdrage van de verdachte bestond vooral uit het ter beschikking stellen van de sleutels van de woning, wat meer duidt op medeplichtigheid dan medeplegen. Het hof heeft nagelaten dit onderscheid nauwkeurig te motiveren.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor een nieuwe berechting. De zaak bevat ook uitgebreide bewijsvoering over de hennepkwekerij, verklaringen van getuigen en de verdachte, en juridische overwegingen over medeplegen en medeplichtigheid.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.
Conclusie
Nr. 13/02753
Zitting: 27 januari 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 7 mei 2013 de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 SrPro.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene] heeft afgewezen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) [betrokkene], de broer van de verdachte en de huurder van de woning waar op 20 maart 2012 een hennepkwekerij is aangetroffen, heeft op 24 mei 2012 bij de politie (als verdachte) een verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt onder meer in dat de goederen die ten behoeve van de hennepteelt in de woning aanwezig waren niet van hem waren en dat hij niet zeker weet van wie wel. Ook heeft hij verklaard dat de verdachte “het heeft opgezet” en de sleutels van de woning had. In eerste instantie had hij de woning aan zijn zus verhuurd. Nadat zij naar Spanje was gegaan, heeft de verdachte de sleutel gekregen, omdat de woning leeg was. De verdachte heeft hem nooit verteld dat er een hennepkwekerij in de woning zat. Twee dagen nadat de hennepkwekerij was opgerold, heeft de verdachte hem gebeld en het verteld.
(ii) De politierechter in de Rechtbank Midden Nederland heeft bij vonnis van 18 januari 2013 [1] de verdachte (op tegenspraak) veroordeeld. Namens de verdachte is op 18 januari 2013 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
(iii) De raadsman van de verdachte (mr. Takens) heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 22 januari 2013 [2] verzocht [betrokkene] als getuige te horen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Deze getuige kan verklaren over de gang van zaken toen de politie de woning binnen was gevallen en de hennepkwekerij had opgerold. De getuige kan bevestigen dat de verdachte hem heeft gemeld dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Hij kan verklaren over de inhoudelijke contacten met de verdachte in die periode, met name betreffende uitlatingen van de verdachte over de vraag of hij van tevoren wist dat er een hennepkwekerij in de woning zou worden geplaatst. Er bestaat verdedigingsbelang om deze nog niet eerder gehoorde getuige ter terechtzitting te kunnen horen.
(iv) Bij brief van 22 januari 2013 [3] heeft de raadsman ook aan de rechter-commissaris verzocht op de voet van art. 411a Sv over te gaan tot het horen van [betrokkene] als getuige. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman verwezen naar zijn (bijgevoegde) appelschriftuur. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de rechter-commissaris op dit verzoek heeft gereageerd.
(v) In reactie op het verzoek in de appelschriftuur is bij e-mailbericht van 22 februari aan de raadsman bericht dat de voorzitter van het hof vooralsnog geen aanleiding ziet om in het verzoek tot het horen van [betrokkene] als getuige te bewilligen en dat de raadsman het verzoek desgewenst ter terechtzitting kan herhalen. In dit bericht is tevens de reactie van de advocaat-generaal op het getuigenverzoek medegedeeld. Volgens de advocaat-generaal behoort het verzoek te worden afgewezen, aangezien de verdachte daardoor niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad. De getuige is op 24 mei 2012 al een keer door de politie gehoord als verdachte en heeft toen verklaard dat de verdachte “het heeft opgezet” en dat hij verder niets weet van de kwekerij, aldus de advocaat-generaal.
(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2013 heeft de raadsman van de verdachte het verzoek tot het horen van [betrokkene] gehandhaafd. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende aangevoerd. De getuige kan bevestigen dat de verdachte hem heeft gemeld dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Bovendien kan de getuige worden ondervraagd over de volgende onduidelijkheden: de vraag wie op welke data gebruik heeft gemaakt van de woning, wanneer en om welke reden er zou zijn geklust in de woning en of dat enig verband hield met hennepteelt in de woning, of de muur van de woning warm was en of die warmte enig verband hield met de hennepteelt in de woning, en wat hij heeft bedoeld met zijn verklaring dat de verdachte “het heeft opgezet”. Derhalve is er sprake van een verdedigingsbelang, aldus de raadsman. Ten slotte heeft de raadsman in antwoord op de vraag van de voorzitter van het hof waarom hij de getuige niet heeft meegebracht naar de zitting, medegedeeld dat hij aan de verdachte heeft gevraagd de getuige mee te nemen maar dat dit niet is gelukt in verband met werkzaamheden van de getuige.
(vii) Het hof heeft op die terechtzitting het verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene] afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat, gelet op de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de getuige in redelijkheid van belang kan zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing uit hoofde van art. 348 SvPro en art. 350 SvPro. Daartoe heeft het hof overwogen dat de hennepkwekerij op 20 maart 2012 door de politie is ontdekt, terwijl [betrokkene] op 24 mei 2012 door de politie is gehoord, en dat de getuige reeds toen had kunnen verklaren dat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij niets van de hennepkwekerij wist, hetgeen de getuige niet heeft gedaan.
(viii) Op diezelfde terechtzitting heeft de raadsman bij pleidooi het verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene] herhaald in zijn op de terechtzitting overgelegde pleitnota. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman dezelfde argumenten, die ten grondslag hebben gelegen aan het door het hof reeds afgewezen verzoek, aangedragen.
(ix) Het hof heeft in de bestreden uitspraak het herhaalde verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene] opnieuw afgewezen op dezelfde gronden als de eerdere afwijzing van het verzoek. Daartoe heeft het hof overwogen dat het geen aanleiding ziet terug te komen op zijn op de terechtzitting genomen beslissing, aangezien de raadsman de raadsman geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd. In een bewijsoverweging heeft het hof de verklaring van de verdachte dat hij de sleutel van het huis van zijn broer ongeveer een maand voor de “inval” op 20 maart 2012 heeft gekregen, niet overtuigend bevonden, waarbij het onder meer heeft verwezen naar de verklaring van een getuige die vanaf januari 2012 een tijd lang getimmer heeft gehoord en de muur warm heeft voelen worden.
5. Het bij appelschriftuur van 22 januari 2013 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2013 gehandhaafde verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene] als getuige horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. [4] In aanmerking genomen dat deze getuige namens de verdachte bij (tijdig ingediende) appelschriftuur is opgegeven en de getuige niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad. [5]
6. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 4 sub vii is weergegeven - bij de afwijzing van voornoemd verzoek geoordeeld dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom het horen van de getuige in redelijkheid van belang kan zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing op van art. 348 SvPro en art. 350 SvPro. Daarin ligt als het kennelijke oordeel van het hof besloten dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuige de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. [6] Aldus heeft het hof, anders dan de steller van het middel aanvoert, de juiste maatstaf toegepast.
7. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, kan het volgende worden voorop gesteld. Alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel indien redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [7]
8. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat de getuige kan bevestigen dat de verdachte hem heeft gemeld dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en dat de getuige kan worden ondervraagd over een aantal onduidelijkheden betreffende het gebruik van de woning, het klussen in de woning, de warmte van de muur in de woning en de betekenis van zijn verklaring dat de verdachte “het heeft opgezet”. Voorts is het verzoek gedaan in het kader van de door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen, inhoudende dat de verdachte niets van de aanwezigheid van de hennepplanten afwist, dat “een vriend” de kwekerij heeft opgezet, dat hij pas na de ontdekking van de hennepkwekerij door de politie van het bestaan daarvan op de hoogte is geraakt, dat hij bij de politie zichzelf heeft belast omdat hij niet wilde dat zijn broer zou worden aangehouden en dat hij de sleutel van het huis van zijn broer pas ongeveer een maand vóór de politie-inval heeft gekregen. Het hof heeft aan zijn afwijzende beslissing niet ten grondslag gelegd dat redelijkerwijze kan worden uitgesloten dat de getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Nu de getuige de huurder van het pand was en de broer van de verdachte, lag zulks ook niet in de rede. Het hof heeft zijn oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd gemotiveerd met de overweging dat de broer van de verdachte reeds bij zijn politieverhoor had kunnen verklaren dat de verdachte tegen hem had gezegd dat hij niets van de hennepkwekerij wist, hetgeen de getuige niet heeft gedaan. De vermelding wat in het politieverhoor niet ter sprake is gekomen, kan de beslissing tot afwijzing van het getuigenverzoek echter niet dragen. Daarbij komt dat de verdediging de getuige ook wilde horen over (onder meer) de data waarop de verschillende personen gebruik hebben gemaakt van de woning, wanneer en om welke reden er geklust is in de woning en of de muur warm was en, zo ja, of die warmte enig verband hield met de hennepteelt. Deze onderdelen acht het hof blijkens de bewijsoverweging, waarin het ingaat op het alternatieve scenario dat de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, van belang voor de bewijsvoering. Diens oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de huurder van het pand als getuige in redelijkheid van belang kan zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv, is daarmee bezwaarlijk te rijmen. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad niet begrijpelijk.
9. Het middel slaagt.
10. Het tweede middelbevat de klacht de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, nu het bewezen verklaarde medeplegen niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.
11. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 20 maart 2012 te [woonplaats] opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van 301 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
12. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: (i) Een proces-verbaal van politie van 24 mei 2012, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisant:
“Op 20 maart 2012 is binnengetreden in het pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Op de eerste verdieping werd in drie slaapkamers een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Wij zagen dat in die ruimten in totaal 301 hennepplanten van het geslacht Cannabis stonden. Door [verbalisant 2] zijn twee plantdelen bemonsterd en getest. In de woning hingen twee rekken met daarin gedroogde toppen.”
(ii) Een proces-verbaal van politie van 28 maart 2012, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisant:
“Op 21 maart 2012 heb ik een onderzoek ingesteld naar de door collega [verbalisant 1] veiliggestelde henneptoppen, welke ze had aangetroffen in een kwekerij aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Ik zag aan de kleur, de vorm en de stand van de bladeren op de stengel van de geselecteerde planten dat deze de uiterlijke kenmerken hadden van hennepplanten. Tevens rook ik dat de geur die de planten verspreidden overeenkwam met de kenmerkende geur van hennepplanten. Ik schatte de planten ongeveer vier weken oud. Ik zag dat tijdens het testen met de drugstestkit een duidelijk kleurreactie optrad. Deze kleurreactie gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Uit de determinatie en de drugtest mag gesteld worden dat de inbeslaggenomen hennepplanten van het geslacht Cannabis waren. Deze plantensoort staat vermeld op lijst II van de Opiumwet.”
(iii) Een rapportage diefstal energie, voor zover inhoudende:
“Op 20 maart 2012 was ik samen met politieambtenaren van de politie Utrecht bij het pand [a-straat 1] te [woonplaats]. In de in het pand door de politie aangetroffen hennepkwekerijen zag ik zogenaamde droognetten waarin ik restanten aantrof van volgroeide hennepplanten.”
(iv) Een op 23 maart 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige], voor zover inhoudende:
“Ik woon in [woonplaats] aan de [a-straat 2]. Vanaf januari 2012 hoorde ik een tijd lang getimmer boven in de woning van [a-straat 1]. Op een gegeven moment merkte mijn zoon dat de muur van zijn slaapkamer, die aan de zijde van de woning [a-straat 1] is, warm werd. De muur bleef ook warm, ondanks dat het mooi weer werd.”
(v) Een op 22 maart 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Mijn broer, [betrokkene], is hoofdhuurder van het pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Hij kwam de laatste tijd niet meer in [woonplaats]. Ik had de sleutel van het pand van mijn broer gekregen om in dat huis te zijn. Op een dag ben ik met de geleende crossmotor van een vriend van mij gaan rijden. De motor ging echter stuk. De schade was ongeveer tweeduizend euro. Ik kon dat niet betalen. Mijn vriend kwam met het idee om een hennepkwekerij in het huis van [betrokkene] te zetten.”
(vi) Een op 23 maart 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“De hennepplanten waren verdeeld over drie kamers. Van de winst zou ik de schuld van de motorschade betaald hebben en er nog tweeduizend euro aan over houden. Mijn vriend heeft de sleutel van de woning gekregen en alles geïnstalleerd.”
13. Het hof heeft het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman van de verdachte onder “overweging met betrekking tot het bewijs” als volgt samengevat en verworpen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring die verdachte bij de politierechter heeft afgelegd, inhoudende dat verdachte eerst na de ontdekking van de hennepkwekerij van het bestaan van die kwekerij op de hoogte is geraakt, voor waar dient te worden gehouden zodat niet kan worden gezegd dat verdachte wist van de aanwezigheid van hennepplanten in de woning. Voorts heeft de raadsman verwezen naar jurisprudentie, waarvan de vindplaatsen zijn vermeld in zijn pleitnotitie, en betoogd dat van medeplegen niet kan worden gesproken. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het hem tenlastegelegde.
Het oordeel van het hof
Bij de politie heeft verdachte tweemaal een verklaring afgelegd waaruit kan blijken dat hij vóór de inval van de politie van de aanwezigheid van hennepplanten in de woning van zijn broer aan de [a-straat 1] afwist. Eerst bij de politierechter heeft verdachte verklaard dat hij niets van de aanwezigheid van de hennepplanten afwist. Een vriend - van wie verdachte de naam niet wil noemen en die hij de sleutel van de woning van zijn broer, welke woning verdachte bij afwezigheid van zijn broer mocht gebruiken, ter beschikking had gesteld - zou de kwekerij hebben opgezet. Verdachte heeft vervolgens bij de politierechter verklaard dat hij pas na de ontdekking van de kwekerij door de politie van het bestaan daarvan op de hoogte is geraakt en zichzelf bij de politie heeft belast, omdat hij niet wilde dat zijn broer, hoofdhuurder van de woning, zou worden aangehouden.
Dit wekt bevreemding nu niet duidelijk is geworden waarom verdachte niet direct bij het verhoor door de politie heeft verklaard, dat zijn vriend een hennepkwekerij in de woning was begonnen. Immers ook dan zou verdachte zijn broer hebben kunnen ontzien.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bij zijn lezing bij de politierechter gepersisteerd en verklaard dat hij de sleutel van het huis van zijn broer ongeveer een maand voor de inval op 20 maart 2012 heeft gekregen. Ook deze verklaring overtuigt niet nu getuige [getuige], die woont op [a-straat 2], vanaf januari 2012 een tijd lang getimmer heeft gehoord boven in de woning van [a-straat 1]. Ook werd de muur van de woning van de getuige (aan de zijde van de woning van [a-straat 1]) warm. Volgens de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof was zijn broer toen in het bezit van de sleutel van de woning, terwijl hij tevens heeft verklaard dat zijn broer niets met de hennepkwekerij van doen heeft gehad. Dit klemt temeer nu uit het dossier kan volgen dat de zus van verdachte, die ook op het adres aan de [a-straat 1] stond ingeschreven, in november 2011 is verhuisd naar Spanje en er - mede gelet op de aangetroffen henneptoppen in de woning - sprake kan zijn geweest van een eerdere oogst.
Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij de sleutels van zijn broer na 31 januari 2013 aan de onbekend gebleven vriend gegeven heeft. Deze verklaring laat zich eveneens niet rijmen met het dossier waaruit volgt dat de door de politie aangetroffen hennepplanten enkele weken oud waren en er sprake kan zijn geweest van één eerdere oogst.
Uit het voorgaande volgt dat de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politierechter en ter terechtzitting van het hof een aantal tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevatten. Verdachte is hierover ter terechtzitting van het hof bevraagd maar heeft de door zijn gewijzigde verklaring ontstane tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet kunnen wegnemen. Het hof zal de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie als uitgangspunt nemen, omdat deze als consistent kan worden aangemerkt.
Verdachte heeft de sleutel van het pand aan de [a-straat 1] aan zijn, voor het Hof verzwegen vriend ter beschikking gesteld, zodat in dat pand een hennepkwekerij kon worden geïnstalleerd. Verdachte zou meedelen in de opbrengst van de kwekerij en daardoor een schuld (beweerdelijk ontstaan omdat hij een crossmotor van die vriend kapot zou hebben gemaakt) die hij bij zijn vriend had openstaan, kunnen vereffenen. Mede gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden bewezen dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking en dat verdachte dus tezamen en in vereniging met een ander hennepplanten aanwezig heeft gehad.”
14. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. [8] Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit. [9] Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. Hetzelfde geldt zelfs indien de verdachte bij het feit niet lijfelijk aanwezig is geweest. [10] Om van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op het aanwezig hebben van de hennepplanten in de woning. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de mededader en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden. Voorts kan de samenwerking bestaan uit de voorbereiding of de sturing op afstand. [11]
15. Recent heeft de Hoge Raad in een tweetal overzichtsarresten [12] aandachtspunten geformuleerd met betrekking tot de vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad voorop gesteld dat de kwalificatie medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voorts is ingegaan op het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict, zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, rust op de rechter de taak om in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, dat in het kader van de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.
16. In het licht van hetgeen is voorop gesteld, heeft het hof zijn oordeel dat te dezen sprake is van medeplegen onvoldoende gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen en de onder 13 weergegeven bewijsoverweging volgt dat de bijdrage van de verdachte in dezen in de kern bestaat uit het leveren van sleutels van de woning van de broer van de verdachte aan zijn vriend, zodat in dat pand een hennepkwekerij kon worden geïnstalleerd. Het idee een hennepkwekerij te beginnen was afkomstig van de vriend (bewijsmiddel 5). Uit de bewijsvoering blijkt niet dat de verdachte op enigerlei (andere) wijze heeft bijgedragen aan het opbouwen en onderhouden van de hennepkwekerij. Het leveren van sleutels in de wetenschap dat de mededader deze zal gebruiken ten behoeve van een hennepkwekerij, is een gedraging die vooraf gaat aan het feit en die in de kern met medeplichtigheid in verband kan worden gebracht. Nu het hof niettemin tot een bewezenverklaring van medeplegen is gekomen, rustte op hem de plicht zulks nauwkeurig te motiveren. In dit verband heeft het hof - naast een verwijzing naar het ter beschikking stellen van sleutels - slechts overwogen dat de verdachte zou meedelen in de opbrengst van de kwekerij en daardoor een schuld die hij bij die vriend had openstaan zou kunnen vereffenen. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de buit deelt, zegt echter onvoldoende over het gewicht van de bijdrage van de verdachte. Daaruit volgt immers niet de mate waarin de verdachte ten opzichte van de vriend in de buit heeft gedeeld [13] , terwijl ook de medeplichtige veelal een financiële bijdrage zal ontvangen. Uit de bewijsvoering volgt dat de schuld van de verdachte aan zijn vriend € 2.000,- bedroeg en dat de verdachte daarnaast van de winst € 2.000,- zou krijgen (bewijsmiddelen 5 en 6). Tegen de achtergrond van de bewezenverklaring, die betrekking heeft op 301 hennepplanten en uitsluitend ziet op het medeplegen met “een ander”, is € 4.000,- niet een vergoeding die wijst op een bijdrage van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. [14] Aldus heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
17. Het middel slaagt.
18. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, waarin het vonnis van de politierechter is aangetekend, vermeldt bij kennelijke vergissing 18 februari 2013 als datum. Gelet op de datum die wordt genoemd in de inleidende dagvaarding, de (doorgehaalde) losse aantekening mondeling vonnis, de vorderingen van de officier van justitie, de akte rechtsmiddel en het arrest van het hof, moet dit 18 januari 2013 zijn.
2.De appelschriftuur is blijkens daarop geplaatste stempels op 24 januari 2013 binnengekomen bij de griffie van de rechtbank en op 31 januari 2013 ingekomen bij de strafgriffie van het hof.
3.Deze brief is blijkens een daarop geplaatste stempel op 24 januari 2013 binnengekomen bij het kabinet van de rechter-commissaris van de rechtbank.
4.Het bij pleidooi herhaalde verzoek tot het horen van dezelfde getuige (waarop door het hof bij arrest is beslist) betreft een verzoek zoals bedoeld in art. 328 SvPro, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf voor de beoordeling van dat verzoek is ingevolge art. 315 SvPro, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Omdat het middel kennelijk enkel is gericht tegen de afwijzing van het initiële verzoek, laat ik het herhaalde verzoek hier verder buiten bespreking.
14.Een snelle berekening op basis van de uitgangspunten in het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010 leert dat een oogst met 301 hennepplanten in de regel zal leiden tot een winst van ruim € 25.000,-.