AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking van de omvang van het hoger beroep en toepassing van art. 423 Sv
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarbij verdachte werd veroordeeld voor feiten onder twee parketnummers. De verdachte had onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, maar het hof beperkte het hoger beroep tot één van de parketnummers op basis van verklaringen van de raadsman in hoger beroep. De Hoge Raad stelt vast dat deze beperking van de omvang van het hoger beroep onjuist is toegepast, omdat de wet vereist dat een beperking expliciet in de appelakte of door intrekking vóór aanvang van de behandeling wordt vastgelegd.
Het hof had op grond van artikel 423, vierde lid, Sv de straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten moeten bepalen, maar deed dit onterecht omdat het hoger beroep niet beperkt was ingesteld. Desondanks vernietigt de Hoge Raad het arrest niet vanwege het ontbreken van een in rechte te respecteren belang van de verdachte, die zich immers in hoger beroep had neergelegd bij de beperking.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro is overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf volgens de gebruikelijke maatstaf, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen.
De procedure kenmerkt zich door een complexe samenloop van zaken en de interpretatie van de reikwijdte van het hoger beroep, waarbij de Hoge Raad de wettelijke regels omtrent beperking en intrekking van hoger beroep verduidelijkt en toepast.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn, met strafvermindering; het beroep wordt voor het overige verworpen.
Conclusie
Nr. 13/06062
Zitting: 27 januari 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 mei 2012 de verdachte in de zaak met parketnummer 03/530392-09 wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 SrPro. Voorts heeft het hof de aan de verdachte opgelegde straf voor de - niet aan zijn oordeel onderworpen - feiten in de zaak met parketnummer 03/700185-10 bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank in de zaak met parketnummer 03/700185-10. Volgens de steller van het middel heeft het hof de omvang van het hoger beroep ten onrechte beperkt geacht tot de veroordeling in de zaak met parketnummer 03/530392-09 en heeft het hof ten onrechte art. 423, vierde lid, Sv toegepast ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/700185-10.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/700185-10 zijn aan de verdachte drie feiten ten laste gelegd (witwassen, het telen van hennep en het voorhanden hebben van revolvers en munitie). Voorts is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/530392-09 aan de verdachte nog een feit ten laste gelegd (het aanwezig hebben van hennep).
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2010 vermeldt in de aanhef “Parketnummers: 03/700185-10; 03/530392-09 (ttzgev)” en houdt voorts onder meer het volgende in:
“De raadsman van verdachte deelt mede dat hij twee dagvaardingen aangaande zijn cliënt heeft ontvangen, maar dat het lijkt alsof de officier van justitie slechts één dagvaarding heeft voorgedragen.
De voorzitter deelt mede dat de rechtbank net als de raadsman twee dagvaardingen heeft, elk met een ander parketnummer.
De officier van justitie deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Ik heb beide tenlasteleggingen voorgedragen.
(…)
De rechtbank deelt bij monde van de voorzitter mede - zakelijk weergegeven -: (…) De rechtbank beveelt de voeging van de onder bovengenoemde parketnummers afzonderlijke aangebrachte zaken.”
(iii) De oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2010 maakt enkel melding van parketnummer 03/700185-10, terwijl het proces-verbaal van die terechtzitting in de aanhef “Parketnummers: 03/700185-10; 03/530392-09 (ttzgev)” vermeldt.
(iv) De rechtbank heeft bij vonnis [1] van 22 september 2010 de verdachte in de zaak met 03/700185-10 wegens 1. “witwassen”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 03/530392-09 wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onderPro C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.
(v) De akte rechtsmiddel vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Parketnummer 03/700185-10
(…)
Op 28 september 2010 kwam ter griffie van deze rechtbank
mr. T. Boumans
advocaat te Heerlen
die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring,
en verklaarde namens
naam [verdachte]
voornamen [verdachte]
(…)
Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 22 september 2010 alsmede tegen het/de tussenvonnis(sen) in de zaak tegen [verdachte] met bovenvermeld parketnummer gewezen door de Meervoudige kamer in deze rechtbank.”
(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2011 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsman (mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam) aanwezig. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, tegen het vonnis op te geven.
De raadsman deelt mede dat het appel zich niet richt tegen het onder parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde. Het hoger beroep moet, aldus de raadsman, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. De raadsman geeft op dat verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en bepleit subsidiair dat verdachte de straf te zwaar acht.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord en rekwireert als volgt:
De raadsman heeft het hoger beroep beperkt, met dien verstande dat het hoger beroep zich alleen richt tegen het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde. (…) Ik vorder dat uw hof primair het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts vorder ik dat uw hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf voor de bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde en door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.” [2]
(vii) Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting bij tussenarrest van 23 december 2011 heropend. In dit tussenarrest heeft het hof onder “omvang van het hoger beroep” het volgende overwogen:
“Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.”
(viii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2012 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsman (mr. Coumans), aanwezig. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman deelt desgevraagd als volgt mede:
Het hoger beroep moet nog steeds worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Verdachte meent ten onrechte te zijn veroordeeld en bepleit subsidiair dat hij de straf te zwaar acht. De stukken zijn op de terechtzitting van 9 december 2011 afdoende voorgehouden.
(…)
De advocaat-generaal voert als volgt het woord tot requisitoir.
(…) Ik vorder dat uw hof het onder parketnummer 03-530392-09 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Voorts vorder ik dat uw hof op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf voor de bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-700185-10 ten laste gelegde en door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.”
(ix) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 2 mei 2012 veroordeeld. Het hof heeft in dit arrest onder “omvang van het hoger beroep” het volgende overwogen:
“Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-530392-09 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.”
(x) Het hof heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 03/530392-09 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts heeft het hof op de voet van art. 423, vierde lid, Sv de straf voor de in de zaak met parketnummer 03/700185-10 ten laste gelegde en door de rechtbank bewezen verklaarde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden.
5. Art. 423, vierde lid, Sv luidt als volgt:
“Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
6. Deze bepaling ziet op de situatie dat de rechtbank voor meerdere feiten één hoofdstraf heeft uitgesproken, dat het hoger beroep is beperkt tot één of meer van die feiten en dat het hof het vonnis wat betreft de strafoplegging vernietigt. In een dergelijk geval dient het hof voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de sanctie te "bepalen". Dit betekent dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de in eerste aanleg opgelegde straf moet worden geacht door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. [3]
7. Het wettelijk systeem ten aanzien van de reikwijdte van het hoger beroep, zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470), komt samengevat op het volgende neer. De verdachte en het openbaar ministerie kunnen in geval van gevoegde zaken als bedoeld in art. 407, tweede lid, Sv de omvang van hetgeen aan het oordeel van het hof is onderworpen zelf beperken, maar uitsluitend - binnen de door de wet getrokken grenzen - door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring waarmee het hoger beroep is ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de voet van art. 453 SvPro en art. 454 SvPro. Indien het hoger beroep niet op deze wijze is beperkt, is het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis aan het oordeel van het hof onderworpen. In dit opzicht komt noch aan de schriftuur houdende grieven noch aan hetgeen de verdachte en het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent verklaren, betekenis toe. Wel kan het hof de behandeling in hoger beroep concentreren op de door de procespartijen ingebrachte bezwaren en bestaat voor hem de in art. 416 SvPro geschapen mogelijkheid de afdoening daarop toe te snijden.
Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat indien na de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bezwaren niet worden gehandhaafd, een dergelijke "intrekking" onder omstandigheden tot toepassing van art. 416, tweede en derde lid, Sv kan leiden - om welke toepassing de verdachte en het openbaar ministerie bovendien kunnen verzoeken. Voor zover het daarbij gaat om een gedeeltelijke "intrekking", gelden daarbij de wettelijke grenzen van art. 407 SvPro over de mogelijkheden om het appel te beperken. [4]
8. Op grond van art. 453, eerste lid, Sv in verbinding met art. 454, eerste lid, Sv kan de verdachte het hoger beroep uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep intrekken door een verklaring, af te leggen op de griffie van de rechtbank. Ingevolge art. 270 SvPro in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv begint het onderzoek - en neemt dus de behandeling een aanvang - door het doen uitroepen van de zaak. Dat betekent dat de genoemde verklaring moet zijn afgelegd vóórdat de zaak is uitgeroepen. [5]
9. In het onderhavige geval heeft de rechtbank de verdachte voor de feiten in de (op de terechtzitting in eerste aanleg) gevoegde zaken met de parketnummers 03/700185-10 en 03/530392-09 veroordeeld tot één gevangenisstraf. Namens de verdachte is tegen het gehele vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld. Omdat de raadsman van de verdachte op de terechtzittingen in hoger beroep heeft aangegeven dat het hoger beroep alleen is gericht tegen de zaak met parketnummer 03/530392-09 en niet tegen zaak met parketnummer 03/700185-10, heeft het hof de omvang van het hoger beroep beperkt geacht tot de zaak met parketnummer 03/530392-09. Vervolgens heeft het hof in de zaak met parketnummer 03/530392-09 een gevangenisstraf opgelegd aan de verdachte en in de zaak met parketnummer 03/700185-10 op grond van art. 423, vierde lid, Sv de straf bepaald.
10. Zoals blijkt uit de toelichting, neemt het middel in de eerste plaats tot uitgangspunt dat uit de inhoud van de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg niet zou blijken dat de rechtbank heeft bevolen dat de zaken met de parketnummers 03/700185-10 en 03/530392-09 dienen te worden gevoegd. Dat uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de stukken van het geding en meer in het bijzonder van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2010 en mist daardoor feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 4 sub ii weergegeven inhoud van dit proces-verbaal blijkt immers dat de rechtbank de voeging heeft bevolen van de onder voornoemde parketnummers afzonderlijk aangebrachte zaken.
11. Het middel neemt voorts tot uitgangspunt dat uit de akte rechtsmiddel in combinatie met de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het hoger beroep slechts is ingesteld tegen de veroordeling in de zaak met nr. 03/700185-10. Ook dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de stukken van het geding en meer in het bijzonder van de akte rechtsmiddel. Uit de hiervoor onder 4 sub v weergegeven inhoud van de akte rechtsmiddel heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat mr. Boumans op 28 september 2010 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld tegen het gehele vonnis van de rechtbank. Gelet op de inhoud van deze akte en in aanmerking genomen dat de rechtbank op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2010 de voeging heeft bevolen van de zaken met de parketnummers 03/700185-10 en 03/530392-09, berust de vermelding in de aanhef van de akte van (enkel) het parketnummer 03/700185-10 op een kennelijke vergissing. In dit verband merk ik nog op dat in de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2010 ook (eveneens bij kennelijke vergissing) alleen dat parketnummer staat vermeld, terwijl op die terechtzitting zowel de zaak met parketnummer 03/700185-10 als de zaak met parketnummer 03/530392-09 is behandeld.
12. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat op grond van hetgeen de raadsman van de verdachte op de terechtzittingen in hoger beroep heeft aangevoerd het namens de verdachte ingestelde hoger beroep moet worden opgevat als te zijn beperkt tot het in de zaak met parketnummer 03/530392-09 ten laste gelegde feit. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7 is voorop gesteld, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de appelakte niet blijkt dat de verdachte het namens hem ingestelde hoger beroep op de voet art. 407, tweede lid, Sv heeft beperkt tot één van de gevoegde zaken, terwijl zich bij de stukken van het geding geen akte bevindt waaruit volgt dat de verdachte het namens hem ingestelde hoger beroep alsnog overeenkomstig art. 453, eerste lid, Sv in verbinding art. 454, eerste lid, Sv heeft ingetrokken wat betreft de in de zaak met parketnummer 03/700185-10 ten laste gelegde feiten. [6]
13. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.
14. In aanmerking genomen dat uit het voorgaande volgt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het hoger beroep is beperkt tot het in de zaak met parketnummer 03/530392-09 ten laste gelegde feit en in het licht van hetgeen hiervoor onder 6 is opgemerkt ten aanzien van de betekenis van art. 423, vierde lid, Sv, heeft het hof deze bepaling miskend door voor de feiten in de zaak met parketnummer 03/700185-10 op de voet van dit artikellid de straf te bepalen.
15. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld.
16. Vervolgens rijst de vraag of het bovenstaande tot cassatie moet leiden. In het bijzonder dringt de vraag zich op in welk rechtens te respecteren belang de verdachte zou zijn getroffen door het (te) beperkt opvatten van de omvang van het hoger beroep. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bij herhaling kenbaar gemaakt dat het appel zich niet richt tegen de beslissingen in de zaak met parketnummer 03/700185-10. Daarmee heeft de verdediging te kennen gegeven de in de zaak met parketnummer 03/700185-10 bewezen verklaarde feiten niet aan het hof te willen voorleggen. Daartoe heeft de verdediging het hof gevraagd de omvang van het hoger beroep beperkt op te vatten. De door het hof aangenomen beperking van de omvang van het hoger beroep is daarmee geheel in lijn met de herhaaldelijk geuite wens van de verdediging. Tegen de achtergrond van het procesverloop in hoger beroep, meen ik dat de verdachte niet in cassatie met vrucht kan klagen over het oordeel van het hof ten aanzien van de omvang van het hoger beroep teneinde aldus te bewerkstelligen dat, na terugwijzing, alsnog en in tegenspraak met het aan het hof kenbaar gemaakte standpunt van de verdediging over de desbetreffende feiten in hoger beroep wordt beslist. [7] Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd niet kan blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij het onderhavige cassatieberoep, is het middel tevergeefs voorgesteld. [8]
17. Het tweede middelbevat de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
18. De verdachte heeft op 7 mei 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 13 november 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
19. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld. Het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De aanhef van het vonnis vermeldt eveneens “Parketnummers: 03/700185-10; 03/530392-09 (ttzgev)”.
2.Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota van 9 december 2011, heeft de raadsman van de verdachte (naast een strafmaatverweer) uitsluitend verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van het feit op de dagvaarding met parketnummer 03/530392-09.
8.Vgl. voor een geen belang-redenering bij een niet rechtsgeldige beperking van het hoger beroep de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7136 (middel 2; art. 81 ROPro). In die zaak ging het om een door de officier van justitie ingesteld hoger beroep, dat op basis van mededelingen van de advocaat-generaal bij het hof ter terechtzitting was beperkt. De verdachte had in cassatie niet aangegeven wat zijn belang was bij vernietiging op deze grond, terwijl de verdachte het desbetreffende feit in eerste aanleg had bekend.