Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
11 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkeersongeval tijdens een vluchtpoging waarbij verdachte met hoge snelheid een vrouw raakte die een poort sloot. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat het slachtoffer zou worden aangereden. Dit oordeel baseerde het hof op het feit dat verdachte de poort en het slachtoffer had gezien en niet had afgeremd.
De verdediging voerde aan dat verdachte het slachtoffer pas een fractie van een seconde voor de botsing had waargenomen en daardoor niet bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voorwaardelijk opzet aannam, mede gelet op verklaringen en technisch onderzoek die de lezing van verdachte ondersteunen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte bij de strafbepaling omstandigheden heeft betrokken die in eerste aanleg niet aan de orde waren geweest. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.