De zaak betreft een voorlopige machtiging tot opname van een drugsverslaafde patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht de rechtbank Limburg om verlenging van de opname. De geneeskundige verklaring was opgesteld door een niet-behandelend psychiater die de betrokkene persoonlijk probeerde te onderzoeken, maar zij weigerde medewerking.
De rechtbank verleende de voorlopige machtiging, maar vermeldde niet dat betrokkene de psychiater niet wilde spreken. De Hoge Raad oordeelt dat de wet vereist dat de psychiater betrokkene persoonlijk onderzoekt, maar bij weigering mag de psychiater ook op informatie van derden vertrouwen mits dit goed wordt gemotiveerd. De rechtbank had echter niet onderzocht of de psychiater voldoende inspanningen had verricht en of ondanks de beperkingen voldoende vaststond dat betrokkene geestelijk gestoord was.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het enkele feit dat betrokkene psychotisch wordt door amfetaminegebruik niet automatisch een stoornis in de zin van de Wet Bopz oplevert. De rechtbank had dit echter wel voldoende gemotiveerd doordat sprake was van een wisselwerking tussen stoornis en middelengebruik.
Ten slotte acht de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank over het gevaar voor maatschappelijke teloorgang onvoldoende gemotiveerd. De term is te vaag en de rechtbank heeft niet toegelicht welke concrete bedreigingen of nadelen er zijn. Daarom kan de voorlopige machtiging niet in stand blijven en wordt de zaak verwezen naar de rechtbank Limburg voor hernieuwde beoordeling.