Conclusie
eerste middelricht zich tegen het oordeel van het Hof dat geen grond bestaat voor het standpunt van de verdediging dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde regelingen onverbindend zijn.
tweede middelricht zich tegen de verwerping van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer en klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat het standpunt van verdachtes raadsman in hoger beroep dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht feitelijke grondslag mist.
derde middelbehelst in combinatie met de toelichting de klacht dat het Hof het beroep op rechtsdwaling ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof niet is ingegaan op hetgeen namens verdachte is aangevoerd omtrent de specifieke deskundigheid van de door verdachte ingeschakelde adviseur.
vierde middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het opzet telkens ontoereikend heeft gemotiveerd.
U vraagt mij of er een registratie werd bijgehouden. Er wordt uitvoering gegeven door middel van voortdurend toezicht; er vindt geen 8 uur controle plaats.”
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.