Conclusie
teen sexting [1] en (iii) de consequenties van een veroordeling ter zake van kinderpornografie voor deze jeugdigen op de langere termijn, dit één en ander in het licht van de wetsgeschiedenis van art. 240b Sr, de relevante rechtspraak en enkele beschouwingen van rechtsvergelijkende aard. Ter wille van de leesbaarheid heb ik de conclusie op de volgende wijze onderverdeeld in van tussenkopjes voorziene paragrafen:
1.De casus
2.Het eerste middel
3.De bewezenverklaring
4.De kwalificatie/de uitspraak van het Hof
Bespreking verweren
"gelet op de wijze waarop zij is totstandgekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden "onschuldig" zouden kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbaar seksuele strekking heeft."
5.Artikel 240b Sr
6.Inleidende opmerkingen
teen sextingbetrekken - ten onzent een bijzondere vorm van kinderpornografie en een zich uitbreidend fenomeen waarvan in de onderhavige zaak evenwel (net) geen sprake is -, waarbij het niet (zozeer) gaat om de vervaardiging en het in het bezit hebben van het beeldmateriaal, maar vooral om het door pubers of adolescenten via de mobiele telefoon versturen of op internet plaatsen - kortom het verspreiden en openbaar maken - van zelfgemaakte afbeeldingen met een seksuele strekking van henzelf of van leeftijdgenoten. Een ruwere vorm van
teen sexting, die zich overigens niet daartoe beperkt maar zich ook onder volwassenen kan voordoen, betreft de ‘wraakporno’: het delen van privé- of seksueel beeldmateriaal van iemand anders, zonder diens of dier toestemming en met het doel om (zacht uitgedrukt) schaamte of ongemak te veroorzaken.
7.De wetsgeschiedenis
strafbaarheidingevolge art. 240b Sr in de weg staat. Wel zou instemming aanleiding kunnen zijn om af te zien van vervolging of om een lagere straf op te leggen. Uitgangspunt bleef echter dat in de regel vervolging is aangewezen.
teen sextingen wraakporno zijn in 2014 Kamervragen gesteld. [17] Oud-minister van Veiligheid en Justitie Opstelten onderstreepte toen nog eens dat instemming van de minderjarige afgebeelde, de in art. 240b Sr bedoelde strafbaarheid van de seksuele gedragingen niet wegneemt: [18]
8.De rechtspraak
9.Tussenopmerking met een viertal voorbeelden
teen sexting, de volgende bedachte situaties, met de vooropstelling dat in de voorbeelden a, b en c de vriend de foto telkens enkel voor eigen gebruik bewaart:
10.Enkele bespiegelingen van rechtsvergelijkende aard
teen sextingeen curieus probleem aan, waarop Amélie Robitaille-Froidure heeft gewezen. [28] Nu
teen sextingzich kenmerkt in het verspreiden of openbaar maken van het beeldmateriaal, is in de voorbeelden b en c de gedraging van de vriend niet maar die van het meisje wel strafbaar, aangezien zij daarmee blijk heeft gegeven van een ‘verspreidings-wil’. Heeft de jongen de foto vervolgens doorgezonden aan zijn vrienden (voorbeeld d), dan levert deze gedraging kinderpornografie op. Pas als gezegd kan worden dat het meisje en haar vriend de foto
gezamenlijken met onderling goedvinden hebben vervaardigd én deze slechts onder zich houden, dus zonder voornemen om de foto te verspreiden, vallen hun gedragingen buiten het toepassingsbereik van art. 227-23 Code Pénal.
teen sexting, waartegen overigens momenteel in Engeland een zwaar ontmoedigingsbeleid is ingezet. [33] Een uitvloeisel daarvan is de invoering van de Criminal Justice and Courts Act 2015 waarin een aparte strafbaarstelling voor wraakporno is opgenomen, die overigens ook betrekking heeft op meerderjarigen.
11.De casus beoordeeld naar Duits, Frans en Engels recht
12.Een eindbalans
vervolgingachterwege kunnen blijven. In het denkkader van de wetgever behoort hier van het opportuniteitsbeginsel een selectieve werking uit te gaan, in die zin dat een verstandige toepassing van dit beginsel meebrengt dat bij wederzijds goedvinden filmen of fotograferen in de privé- en relatiesfeer (vervaardigen) en privégebruik (bezit), van strafvervolging kan worden afgezien. Daarbij kan worden gedacht aan seksueel getinte foto’s of filmpjes met een 16- of 17-jarige deelnemer die daarvoor toestemming heeft gegeven, vervaardigd en in het bezit van een leeftijdgenoot voor persoonlijk gebruik, zodat kan worden gezegd dat alles zich heeft afgespeeld in de privatieve omgeving van alleen maar minderjarigen. Maar de vraag of vervolging wel of niet opportuun wordt geacht, laat zich in elk geval beantwoorden aan de hand van een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval. Strafbaar blijven dit type gedragingen op grond van art. 240b Sr, welke bepaling ertoe strekt het tegengaan van seksueel misbruik van minderjarigen, waarbij de schadelijkheid voor het kind een geobjectiveerd gegeven is en niet hoeft te worden aangetoond; het gaat niet alleen om de schade voor het afgebeelde kind, maar ook om de schade die kinderen in het algemeen door de beeldvorming kunnen ondervinden. [34] Met een verwijzing naar dezelfde wetsgeschiedenis denkt de Hoge Raad daar niet anders over. [35] Het in het opportuniteitsbeginsel besloten liggend correctief laat evenwel niet alleen de strafbaarstelling voor kinderpornografie in stand, maar heeft bovendien alleen betrekking op minderjarigen die zestien jaar of ouder zijn. Dat zou betekenen dat in de hierboven onder 26 bedachte voorbeelden a en d tot strafvervolging zou
moetenworden overgegaan. Met betrekking tot voorbeeld d lijkt mij dat gelet op de verspreiding van de foto, waardoor wél een door art. 240b Sr beschermd belang in het geding is, alleszins verdedigbaar. Andere correctiemechanismen ziet Rozemond in zijn meergenoemde annotatie gelegen in een vervolgings-uitsluitingsgrond, een kwalificatie-uitsluitingsgrond of een bijzondere rechtvaardigingsgrond zoals het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. [36]
overinclusiveis [37] - nu er eveneens gedragingen strafbaar worden gesteld die geen (directe) schade toebrengen aan de door de bepaling beschermde belangen -, het toekennen in Nederland van de kwalificatie kinderpornografie op gedragingen als de onderhavige is niet uitzonderlijk. Dat blijkt wel uit de wettelijke stelsels van Duitsland, Frankrijk en Engeland. Het is niet zo dat het Nederlandse materiële strafrecht in dit verband in vergelijking met de rechtstelsels van ons omringende landen dermate opzienbarend of uit de toon vallend is, dat het reeds om die reden voor herziening in aanmerking komt. Dat neemt evenwel niet weg, dat naar mijn inzicht het mede gelet op de maatschappelijke opvattingen over het begrip kinderpornografie aanbeveling zou verdienen om toch ook eens na te denken over de vraag of voor de hier bedoelde gevallen, met een inbegrip van
teen sexting, niet een afzonderlijke strafbaarstelling meer recht zou doen aan de aard en strafwaardigheid van de gedragingen in relatie tot de jeugdigheid en onbezonnenheid van de participanten en derhalve of zo een nieuwe categorie binnen de zedendelicten de lading niet beter zou dekken dan de blijvend stigmatiserende kwalificatie kinderpornografie, en of voor het maken van dergelijk beeldmateriaal in de relationele sfeer niet een uitzondering zou moeten worden gemaakt op een wijze waarvan in Duitsland sprake is.
13.Beoordeling van het eerste middel
14.Het tweede middel
grossly disproportionate) moet worden aangemerkt.
15.De uitspraak van het Hof
16.Het dictum
17.Primaire beoordeling van het tweede middel
18.Subsidiair: nadere bespreking van het tweede
middel
21.De VOG en de Beleidsregels 2013
22.Art. 3 EVRM Pro
grossly disproportionate sentence, beperkt zich bij mijn weten tot zaken waarin een levenslange gevangenisstraf is opgelegd (zonder kans op vervroegde vrijlating) of tot uitleveringszaken waarbij een staat betrokken is waarin mogelijk een uitgesproken disproportionele straf zal worden opgelegd. [55] Met deze constateringen volsta ik hier, nu deze situaties en een strafoplegging die zich laat kwalificeren als
grossly disproportionatezich in de onderhavige zaak in het geheel niet voordoen, en voor het overige de eigenlandelijke wettelijke regeling van het strafstelsel en de straftoemeting onderwerpen zijn waarvan de concrete invulling tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten behoort.