Conclusie
1.Feiten en procesverloop
volledigeopbrengst van het pand aan de [a-straat] is overgemaakt op de bankrekening van de vrouw. De rechtbank heeft de man toegelaten tot levering van het bewijs daarvan (rov. 3.6 tussenvonnis Rb).
…]55-20 een positief saldo stond van € 22.395,- en dat op rekening nummer […]83-10 een positief saldo stond van € 200.000,-.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel I.1klaagt de vrouw dat het hof miskent dat de betwisting door de man niet méér inhield dan een ‘blote ontkenning’; de overweging (in rov. 13 van het eindarrest) dat de man deze stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist is volgens de klacht onbegrijpelijk.
Onderdeel I.2voegt hieraan toe dat de door de vrouw gestelde feiten, indien deze niet gemotiveerd door de man worden betwist, geacht moeten worden tussen partijen vast te staan.
Onderdeel I.3klaagt dat het oordeel dat de vrouw haar stelling (in het licht van de betwisting door de man, toevoeging A-G) onvoldoende heeft onderbouwd (zie rov. 13.1 eindarrest) onbegrijpelijk is in het licht van: (i) haar gedetailleerde uiteenzetting in de aangifte van mensenhandel en in de overgelegde processen-verbaal van de (Nederlandse) politie; (ii) de vaststelling in rov. 12.1 van het eindarrest dat de man volledig op de hoogte was van de transacties (bedoeld is: de daar genoemde transacties op bankrekeningen op naam van de vrouw en/of [betrokkene] ) en deze goedkeurde; (iii) de verwerping door het hof, in diezelfde rechtsoverweging, van de bewering van de man dat de gelden die hij aan de vrouw betaalde waren bestemd voor de start van een horeca-onderneming.
Onderdeel I.4sluit af met de klacht dat zonder nadere motivering niet valt in te zien wat de vrouw volgens het hof nog meer had moeten doen om aan haar stelplicht te voldoen.
nietaan derden was doorbetaald, maar op de peildatum aanwezig was. Indien de vrouw heeft willen betogen dat (niet slechts in 2007, toen partijen recent gehuwd waren, maar ook) na de indiening van het gezamenlijke echtscheidingsrekest de op de peildatum aanwezige gelden – concreet: € 200.000,- plus € 22.395,- − met medeweten en goedvinden van de man zijn geconsumeerd dan wel overgemaakt aan een of meer derden in verband met het gestelde ‘vrijkopen’ van de vrouw, heeft het hof op basis van de gedingstukken mogen oordelen dat de man dát standpunt gemotiveerd heeft betwist. Vervolgens komt de, hierna te bespreken, vraag aan de orde of de vrouw haar stelling kan bewijzen.
subonderdelen I.3 en I.4leiden om deze redenen niet tot een ander resultaat dan in alinea 2.5 hiervoor vermeld.
Subonderdeel I.5valt uiteen in twee delen. Ten eerste klaagt de vrouw dat, voor zover het hof heeft bedoeld te oordelen dat zij onvoldoende aanvullende stukken in het geding heeft gebracht of niet een voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan om tot levering van bewijs toegelaten te worden, het hof heeft miskend dat een begin van bewijs niet is vereist om te kunnen worden toegelaten tot (getuigen)bewijs. Ten tweede klaagt de vrouw dat een bewijsaanbod niet behoeft te worden geconcretiseerd om
ambtshalvete worden toegelaten tot levering van (getuigen)bewijs.
op grond van haar bewijsaanbodwil worden toegelaten tot bewijs, dat aanbod voldoende gespecificeerd behoort te zijn. Daaraan doet niet af dat een rechter bevoegd is zonder een gespecificeerd bewijsaanbod (ambtshalve) bewijs op te dragen.
subonderdelen I.7 en I.8, met twee klachten op tegen het oordeel van het hof, voor zover dat heeft bedoeld te oordelen dat de vrouw niet in haar bewijslast is geslaagd.
onder I.9mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking.