“
Strafmaat
Indien u toch tot een bewezenverklaring komt van (een deel van) het ten laste gelegde, verzoek ik u voor alle feiten gezamenlijk geen straf of maatregel op te leggen maar art 9a Sr toe te passen. Het gaat er niet om dat een voorval als het onderhavige waarbij een ambtenaar in functie, in casu een rechter, is betrokken, niet bestraft zou moeten worden maar veeleer om de overige omstandigheden waardoor cliënt reeds voldoende bestraft is.
Cliënt is in de strafrechtelijk procedure die aan deze zaak ten grondslag ligt reeds erg zwaar gestraft: hij heeft in beroep 3 jaren meer opgelegd gekregen dan in eerste aanleg. 9 jaar werd 12 jaar. Client heeft na het incident in onderhavige zaak geen bijstand meer van een advocaat gehad in de hoofdzaak nu mr vd Plas, de vervanger van Van Boom die een klacht tegen zich zag ingediend in deze kwestie, de verdediging heeft moeten neerleggen vanwege de bejegening van het hof. De motivering bij de zwaardere strafoplegging is de ernst van het feit. De zwaardere strafmaat laat zich bezwaarlijk anders vertalen dan dat er ook in ogenschouw is genomen wat op 29 januari 2010 zich heeft afgespeeld. Het lijkt er in ieder geval op dat een eventuele straf voor onderhavige feiten niets meer kan toevoegen aan de straf die hem daar is opgelegd.
Daarbij komt dat cliënt vanwege deze zaak geen detentiefasering heeft gekregen en geen verlof. Allereerst belette zogezegd de openstaande zaak de mogelijkheid voor cliënt om verlof te krijgen en om te faseren. Maar ook heeft het openbaar ministerie in een negatief advies voor cliënt fasering en verlof belemmerd vanwege het gestelde recidivegevaar en maatschappelijke onrust. De AG omschreef dat verdachte zich bedreigend heeft uitgelaten tegenover de slachtoffers en bedreigingen heeft geuit op zitting. Er zou in ieder geval een contact- en locatieverbod moeten worden ingesteld. Tegen de afwijzingen van verlofaanvragen en faseringsaanvragen zijn meerdere klachten door cliënt ingediend. Tot op heden tevergeefs. Het komt er op neer dat hij al lange tijd in een zwaarder regime heeft doorgebracht dan wanneer hij reeds kon faseren.
Ook is in het penitentiair dossier van cliënt dit incident opgenomen en is mede hierdoor de vervroegde invrijheidsstelling de pas afgesneden.
Deze gevolgen zijn allen in relatie te leggen tot het onderhavige ten laste gelegde feit en zijn allen extra leed toevoegend voor cliënt geweest en zijn dat nog steeds.
Subsidiairverzoek ik u een voorwaardelijke straf op te leggen, althans een (veel) minder hoge straf dan in eerste aanleg opgelegd, op te leggen.
Client's VI in de hoofdzaak is thans bepaald omdat die zaak inmiddels onherroepelijk is. De straf die hij in deze zaak opgelegd kreeg, kon worden meegenomen voor de VI bepaling. Thans is dat niet meer aan de orde en zal iedere korte onvoorwaardelijke straf feitelijk een extra leed toevoegend element voor cliënt hebben nu die geheel moet worden uitgezeten.
Onderhavige zaak zal, gelet op de bijzondere aard (geen aangever en een rechter als subject) voor de MK zijn aangebracht. Wat betreft de ten laste gelegde feiten had de zaak voor de politierechter kunnen dienen. Ook nu er sprake is van een ambtenaar in functie die al dan niet is beledigd en/of mishandeld. Menige zaak waarbij bijvoorbeeld een politieambtenaar of ambulancepersoneel subject is aan belediging of mishandeling of bedreiging, wordt voor de politierechter aangebracht. In de wet en/of richtlijnen is hier niets over bepaald. Wat de hoogte van de straf betreft verzoek ik u rekening te houden met het feit dat de zaak evengoed voor de politierechter had kunnen dienen.
Van belang is voorts nog het feit dat de voorzitter zelf geen aangifte deed en hiermee aangeeft dat hij niet zonder meer zelf vervolging wenste.
De LOVS richtlijnen geven voor eenvoudige mishandeling een boete van € 750,- met een strafverhoging van 33 tot 100% nu het een ambtenaar in functie betreft. 6 maanden gevangenisstraf voor een dergelijk feit is buitenproportioneel hoog. Ook bij poging zware mishandeling past de opgelegde straf niet nu de LOVS richtlijnen daaromtrent bepalen dat 3 maanden gevangenisstraf de norm is en het in casu weliswaar een ambtenaar in functie maar tevens een poging betreft waardoor zelfs bij het verhogen met 100% vanwege eerstgenoemde omstandigheid nog altijd een derde aftrek vanwege de poging dient plaats te vinden.
Uit de jurisprudentie is op te maken dat 6 maanden gevangenisstraf voor een dergelijk feit een buitenproportioneel hoge straf is.
LJN BV9672:100 dagen voor diefstal met braak in vereniging en eenvoudige mishandeling van een ambtenaar in functie. Veroordeelde had samen met een ander ingebroken in een woning op eerste kerstdag en daarbij een agent die zich als zodanig had kenbaar gemaakt mishandeld.
LJN BO8089: 200 uren taakstraf en 3 maanden voorwaardelijk voor opzettelijk onjuist aangifte doen bij de belasting, bedreiging met een misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling, mishandeling van twee ambtenaren van de belastingdienst.
LJN BI8397: € 350,- boete voor mishandeling ambtenaar in functie: mishandeling van een parkeercontroleur. Hem is een bloedneus geslagen.
LJN BI8790: 6 weken gevangenisstraf voor openlijk geweld in vereniging tegen politieambtenaren en wederspannigheid in vereniging. Verdachten hebben om een vriend vrij te krijgen tegen politie geweld gebruikt wat bestond uit trekken duwen schoppen en slaan, ook toen de politieambtenaar zich op de grond bevond. De officier had 3 maanden en 120 uren taakstraf geëist, een verdubbeling ten opzichte van de door het openbaar ministerie gehanteerde richtlijnen, nu het een politieambtenaar in functie betreft, die bijzondere strafrechtelijke bescherming toekomt. De rechter heeft beslist dat deze bijzondere positie van de ambtenaar in functie wel in de strafmaat tot uitdrukking dient te komen maar dat de feiten niet louter volgens de verhoogde richtlijnen van het OM kunnen worden afgedaan. Recht dient te worden gedaan aan de strafwaardigheid van de concrete feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van de verdachte. Ook in casu zijn de omstandigheden zodanig dat de zaak zich niet leent voor een kale verdubbeling van de strafmaat.
Tot slot het
tijdsverloop. Het feit dateert van 29 januari 2010. Ruim vier en een half jaar geleden.
Het vonnis is uitgesproken op 10 oktober 2012. De eerste aanleg heeft bijna twee en driekwart jaar geduurd. Uit het vonnis blijkt niet dat er met deze termijnoverschrijding rekening is gehouden noch dat deze door omstandigheden zich niet in een strafkorting laat vertalen. De gehoorde getuigen en verwijzing naar een ander arrondissement zullen hier debet aan zijn maar dit is niet of onvoldoende aan de verdediging toe te rekenen. De getuigen zijn op 29 december 2010 opgeroepen en op 7 april 2011 gehoord. Hierna heeft de zaak pas op 26 september 2012 gediend. Ik verzoek u bij strafoplegging in het voordeel van cliënt rekening te houden met het tijdsverloop door een strafkorting toe te passen.”