Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
9 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek centraal om advocaten die de opgeëiste persoon in Georgische strafzaken bijstaan als getuigen te horen in een Nederlandse uitleveringsprocedure. De Rechtbank Den Haag wees dit verzoek af, stellende dat het horen van advocaten als getuigen in het Nederlandse strafvorderingsstelsel niet past, behoudens bijzondere gevallen.
De Hoge Raad bevestigde deze afwijzing en onderstreepte dat ook in uitleveringsprocedures geen reden bestaat om hiervan af te wijken. Hoewel de advocaten de opgeëiste persoon in de buitenlandse strafzaken bijstaan, worden zij in de uitleveringsprocedure niet zonder meer als advocaten die 'op de terechtzitting' optreden beschouwd. Het middel klaagde hierover, maar de Hoge Raad oordeelde dat het terecht was voorgesteld en dat het middel gegrond was, doch dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en de conclusie van de Advocaat-Generaal, waarbij werd benadrukt dat de toetsing in cassatie terughoudend is en zich concentreert op de begrijpelijkheid van de beslissing van de feitenrechter. De overige middelen werden verworpen en het beroep werd uiteindelijk afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de afwijzing van het verzoek om advocaten als getuigen te horen in de uitleveringsprocedure.