Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
13 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandelingsincident op 14 mei 2009 te Amsterdam waarbij de verdachte de betrokkene met de hand in het gezicht zou hebben geslagen, wat letsel en pijn veroorzaakte. Het hof had de verdachte in hoger beroep veroordeeld op basis van verklaringen van de betrokkene, een getuige en medische stukken.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de getuige onbetrouwbaar waren vanwege tegenstrijdigheden, gebrek aan objectief steunbewijs en onlogische inconsistenties. Dit standpunt was duidelijk en onderbouwd aan het hof gepresenteerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof weliswaar van dit standpunt is afgeweken door de getuigenverklaring als bewijsmiddel te gebruiken, maar niet in het bijzonder de redenen heeft gegeven waarom het van het onderbouwde verweer is afgeweken, zoals vereist volgens art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het arrest.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep. De zaak wordt opnieuw berecht en afgedaan.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.