Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de verdachte ten onrechte “niet het recht gelaten [heeft] het laatst te spreken […] althans “ten onrechte beperkt in zijn laatste woord” en dat hierdoor onder andere art. 6 EVRM Pro is geschonden.
2.5.2. De hiervoor onder 2.4 weergegeven gang van zaken ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2007 komt erop neer dat het Hof de raadsvrouwe heeft beperkt in haar pleidooi, in die zin dat zij zich slechts mocht uitspreken omtrent de toerekeningsvatbaarheid en de detentiegeschiktheid van de verdachte.
2.5.3. De op 14 juni 2007 overgelegde pleitnota houdt onder het hoofd ‘de feiten’ in dat de raadsvrouwe hetgeen zij bij ‘eerdere pleitnotities bij uw hof’ heeft aangevoerd als ‘hier herhaald en overgenomen [verzoekt] te beschouwen’. Die pleitnota vervolgt dan met een passage die onmiskenbaar en onder meer met een verwijzing naar de - op de eerdere terechtzitting van 3 april 2006 door het Hof gelaste - psychiatrische rapportage, een aanvulling is van de op 3 april 2006 onder het hoofd ‘feiten’ voorgedragen pleitnota.
2.5.4. Het Hof is bij zijn beslissing om de raadsvrouwe te beperken in haar pleidooi kennelijk uitgegaan van de vooronderstelling dat de pleitnota van de raadsvrouwe in het door het Hof aangeduide gedeelte onder het hoofd ‘de feiten’ slechts een nodeloze herhaling bevatte van de op 3 april 2006 overgelegde pleitnota. Het had, alvorens die beslissing te nemen, de juistheid van die vooronderstelling dienen te verifiëren. Nu daarvan niet blijkt, lijdt het onderzoek in hoger beroep aan nietigheid.”
tweede middelbespreken, dat klaagt over de wijze waarop het hof heeft gereageerd op de geconstateerde inbreuk op het recht om binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro te worden berecht. Volgens het middel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd omdat het enerzijds constateert dat de inbreuk in beginsel zou moeten leiden tot strafvermindering terwijl het anderzijds volstaat met de constatering van de inbreuk.