3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2008 houdt het volgende in:
"De raadsman krijgt het woord tot verdediging.
De raadsman verklaart dat hij een aangepaste pleitnota heeft, die hij aan het hof overlegt.
De voorzitter deelt mede dat het hof de pleitnota van de raadsman als voorgedragen beschouwt tot en met onderdeel 3.3.8 op pagina 11 van de versie die is gehecht aan het proces-verbaal terechtzitting van dit hof van 27 oktober 2006, op welk punt het pleidooi toen door de voorzitter is onderbroken vanwege ongepaste opmerkingen van de raadsman jegens de advocaat-generaal en/of het openbaar ministerie in het algemeen. De raadsman pleit vervolgens vanaf onderdeel 3.3.8 overeenkomstig de inhoud van de door hem zojuist overgelegde (nieuwe versie van zijn) pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud, voor zover voorgedragen ter zitting van heden, als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Nadat de raadsman de zinsnede "Veeleer lijkt er sprake te zijn van een kritiekloze volgzaamheid ten aanzien van de Hoge Raad, alsook van een gebrek aan zedelijke moed om de rechtsorde te verdedigen tegenover de schaamteloze serviliteit van de Hoge Raad ten opzichte van een misdadige politieke leiding, die vasthoudt aan de nucleaire systeemmisdaad" (onderdeel 4.1.2., pagina 5) heeft voorgedragen, onderbreekt de voorzitter de raadsman en deelt hem mede dat deze passage ongepast is en dat de raadsman door zich bij herhaling op die wijze uit te laten de orde ter zitting verstoort.
De voorzitter waarschuwt de raadsman dat hem het woord zal worden ontnomen indien hij zich in het vervolg nogmaals ongepast zal uitlaten. De raadsman antwoordt daarop dat de voorzitter wel weet hoe hij daarover denkt.
Nadat de raadsman de zinsnede "manifesteert de Hoge Raad zich als serviele en gewetenloze lakei van de politieke leiding van ons land" (onderdeel 4.5.1, pagina 9) uit zijn pleitnota heeft voorgedragen, onderbreekt de voorzitter hem en deelt hem mede dat zij deze opmerking beschouwt als een ongepaste opmerking jegens de rechterlijke macht.
De voorzitter vraagt de raadsman hoe deze opmerking zich verhoudt tot de door hem als advocaat afgelegde eed eerbied en respect te hebben voor de rechterlijke macht. De raadsman antwoordt daarop als volgt. De door mij als advocaat afgelegde eed houdt niet in dat ik de waarheid zou moeten verzwijgen. Ik heb eerbied voor de rechterlijke organisatie, maar dat houdt niet in dat ik niet overeenkomstig de waarheid mag pleiten.
De voorzitter waarschuwt de raadsman voor de tweede maal dat hij zich tijdens het pleidooi dient te onthouden van ongepaste uitingen jegens de rechterlijke macht dan wel het openbaar ministerie.
Nadat de raadsman de zinsnede "Dat de Hoge Raad terzake van de kernwapens bij voorbaat zijn rechterlijke integriteit prijsgeeft en de politieke keuze maakt voor onvoorwaardelijke steun aan een misdadige politieke leiding" (onderdeel 4.5.2, pagina 9) uit zijn pleitnota heeft voorgedragen, onderbreekt de voorzitter hem opnieuw. Zij deelt de raadsman vervolgens mede dat thans de maat vol is en dat hem het woord wordt ontnomen.
De voorzitter verzoekt vervolgens de raadsman om op de publieke tribune plaats te nemen dan wel de zittingzaal te verlaten."