Conclusie
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen onvoldoende is gemotiveerd, mede in het licht van hetgeen daarover in hoger beroep is aangevoerd door de verdediging.
een aanvallende houding of beweging aannam of maakte", terwijl de verdachte ter terechtzitting van de politierechter verklaarde: "Ik heb op een gegeven moment een riem om mijn hand gedaan. Ik wilde me kunnen verdedigen
in het geval mijn oom weer rare dingen zou gaan doen" (onderstreping hof).
- Betekent dit nu dat moet worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat de verdachte voorafgaand aan of tijdens het delict een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd en dat de handelingen die zijn verricht na het begane feit een indicatie kunnen opleveren voor deze nauwe en bewuste samenwerking?
- Of kunnen handelingen die zijn begaan na het strafbare feit ook op zichzelf genoeg zijn om van medeplegen te kunnen spreken? Hoe moet de tussenvoeging “en/of” tussen de verschillende gedragingen in de zinsnede die hiervoor onder 16 wordt aangehaald in dit verband worden begrepen?