ECLI:NL:PHR:2015:347

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2015
Publicatiedatum
30 maart 2015
Zaaknummer
15/00187
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 Wet BopzArt. 37a Wet BopzArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gevaarscriterium en bereidheid tot vrijwillige opname in psychiatrisch ziekenhuis

Op 13 oktober 2014 verleende de rechtbank Limburg een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis voor betrokkene, die lijdt aan schizofrenie. Betrokkene verbleef tot dan toe op basis van een voorlopige machtiging. Namens betrokkene werd tijdig beroep in cassatie ingesteld, waarop de officier van justitie geen verweerschrift indiende.

Het eerste onderdeel van het cassatieberoep betrof het gevaarscriterium zoals bedoeld in artikel 15 lid 2 van Pro de Wet Bopz. Betrokkene stelde dat matige zelfzorg en weigering van hulp bij financiën en huisvesting onvoldoende zijn voor het aannemen van gevaar. De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank zich terecht baseerde op een geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat de aangeboden hulp noodzakelijk is om buiten het ziekenhuis te kunnen functioneren. De weigering van hulp komt mede voort uit pathologische achterdocht, en ook met medicatie is betrokkene niet in staat voor zichzelf te zorgen.

Het tweede onderdeel betrof de beoordeling van de bereidheid van betrokkene tot vrijwillige opname. Hoewel betrokkene overdag het ziekenhuis verlaat en medewerking toezegt bij het zoeken naar woonruimte, concludeerde de rechtbank terecht dat zij niet de nodige bereidheid toont om vrijwillig te verblijven. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet onbegrijpelijk.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep kennelijk ongegrond is en strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad bevestigde dat de geldigheidsduur van de machtiging verstreken was, maar dat dit de ontvankelijkheid niet aantast.

Uitkomst: Het cassatieberoep is kennelijk ongegrond verklaard en niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

27 februari 2015
Mr. F.F. Langemeijer
15/00187 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
1. Op 13 oktober 2014 heeft de rechtbank Limburg een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geb. 1950), met een geldigheidsduur van
viermaanden. Tot dat moment verbleef betrokkene daar op basis van een voorlopige machtiging.
2. Namens betrokkene is – tijdig [1] – beroep in cassatie ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de officier van justitie geen verweerschrift ingediend.
3.
Onderdeel Iheeft betrekking op het gevaarscriterium in art. 15 lid 2 Wet Pro Bopz. Voor het aannemen van ‘gevaar’ is niet voldoende dat sprake is van ‘matige zelfzorg, waaronder slechte voedingsintake’, noch de weigering van betrokkene om hulp te aanvaarden t.a.v. het organiseren van haar financiën en huisvesting. Gelet op het verweer, had de rechtbank niet mogen volstaan met een standaardoverweging, aldus de klacht.
4. Uit de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, blijkt uitdrukkelijk dat de aangeboden hulp noodzakelijk is om zich buiten een psychiatrisch ziekenhuis staande te kunnen houden. Betrokkene lijdt aan schizofrenie en de weigering van de hulp komt mede voort uit pathologische achterdocht. Ook met de voorgeschreven medicatie is betrokkene buiten het ziekenhuis niet in staat zichzelf te voorzien van de dagelijkse persoonlijke hygiëne en is er slechte inname van voeding. Met de verwijzing naar de geneeskundige verklaring heeft de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt welk gevaar voor betrokkene zij voor ogen heeft gehad en waarom een voortzetting van het verblijf in het ziekenhuis medisch noodzakelijk is geacht ter voorkoming van dat gevaar. Het argument dat dit oordeel slechts beperkt steun vindt in de overgelegde ‘wettelijke aantekeningen’ maakt dit niet anders; bovendien hebben die aantekeningen (ex art. 37a Wet Bopz) betrekking op de behandeling in het ziekenhuis, terwijl de rechtbank doelt op de mogelijkheden voor betrokkene om zich buiten het kader van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis staande te houden. De rechtbank vermeldt een bereidverklaring van betrokkene om medewerking te verlenen bij het samen zoeken naar woonruimte en het aanvragen van een uitkering. Anders dan de toelichting op het middel veronderstelt, heeft de rechtbank dit niet als een (zelfstandige) grond tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis gebruikt, maar als een argument om de toewijzing te beperken tot vier maanden. De klacht mist feitelijke grondslag.
5.
Onderdeel IIklaagt dat het oordeel dat betrokkene niet de nodige bereidheid heeft om als vrijwillig opgenomen patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis te blijven, onbegrijpelijk is. Ter toelichting is aangevoerd dat betrokkene vanuit het ziekenhuis al dikwijls weg is overdag en haar medewerking heeft toegezegd bij het zoeken naar woonruimte elders.
6. De rechtbank heeft – feitelijk en op zich niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank vermeldt de in het middelonderdeel bedoelde toezegging. Kennelijk heeft de rechtbank de verklaring opgevat in die zin dat betrokkene niet bereid is vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven, maar zolang zij onvrijwillig opgenomen is, zich wel aan de huisregels wil houden en wanneer zij verlof heeft gekregen om overdag het ziekenhuis te verlaten, zich ’s avonds weer in het ziekenhuis meldt. De bedoelde toezegging is logisch niet onverenigbaar met de constatering dat de nodige bereidheid tot een vrijwillig verblijf in het ziekenhuis ontbreekt. Ik acht het middel van cassatie kennelijk ongegrond.
7. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.

Voetnoten

1.Een faxcopie is ontvangen op 13 januari, het originele ondertekende verzoekschrift op 16 januari 2015. De omstandigheid dat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels is verstreken doet aan de ontvankelijkheid van het beroep niet af: vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann, JVggz 2011/28 m.nt. W. Dijkers; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann.