Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 tot en met 6bestrijden rov. 4.10.1 tot en met (kennelijk) [2] 4.10.4. De klachten berusten op het betoog, zoals uitgewerkt in de onderdelen 2 en 3, dat het hof in met name rov. 4.10.1 niet (kenbaar) de omstandigheid heeft betrokken dat tot de overeenkomst tussen partijen een addendum behoort, waarin met name ook is gestipuleerd (twee keer zelfs) dat de opdracht ziet op 'koper(s)'.
onderdelen 1 tot en met 6falen, omdat het hof het standpunt van [eiseres] wel heeft verdisconteerd en zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd.
onderdelen 7 tot en met 12komen op tegen de conclusie die het hof bereikt in rov. 4.10.4 en tegen de verwerping van het bewijsaanbod in rov. 4.11.
onderdelen 7 en 8is de verwerping van het bewijsaanbod op de grond dat [eiseres] “geen feiten stelt en te bewijzen aanbiedt die (indien juist) tot een ander oordeel (kunnen) leiden” onder meer gebaseerd op het oordeel in rov. 4.10.2 (tweede en derde volzinnen), inhoudende: “[eiseres] stelt weliswaar dat zij makelaarswerkzaamheden heeft verricht, maar zij heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerster] niet toereikend onderbouwd dat het handelde om activiteiten die onder de opdracht zouden (kunnen) vallen. De door [eiseres] ingebrachte schriftelijke verklaringen van mogelijke getuigen vermelden met name slechts algemene conclusies en geen aan hen uit eigen waarneming of wetenschap bekende feiten” .
onderdelen 9 en 10klagen zo begrijp ik over de begrijpelijkheid van rov. 4.10.2, tweede en derde volzin, en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 4.11.
onderdelen 11 en 12bouwen voort op de voorgaande klachten en delen daarom hun lot. Onderdeel 12 miskent dat het hof alle door [eiseres] aangevoerde stellingen ten aanzien van haar blijvende betrokkenheid bij de verkoop van het project heeft beoordeeld en, uitgaande van de juistheid ervan, deze anders heeft gewogen dat door [eiseres] was bepleit. In rov. 4.11 wijst het hof daar nog op, door aan te geven dat de kern van het geschil is de omvang van de schriftelijke opdracht (rov. 4.10.1) en niet het feit dat [eiseres] na het afketsen van de verkoop aan Bouwfonds nog activiteiten voor [verweerster] heeft verricht (rov. 4.10.2-4.10.3).