Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairde bij beschikking van 22 april 2010 vastgestelde kinderbijdrage niet te wijzigen van 1 november 2011 tot 1 november 2012, waarbij de vrouw tot terugbetaling van de te veel ontvangen bedragen dient over te gaan, en
subsidiairte bepalen dat de door de man te betalen kinderbijdrage in die periode een bedrag van € 150,- per maand bedraagt dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen ander bedrag, en daarbij te bepalen dat de vrouw gehouden is tot terugbetaling van hetgeen zij teveel heeft ontvangen. Voorts heeft hij verzocht de bij beschikking van 22 april 2010 vastgestelde kinderbijdrage te wijzigen in die zin dat totdat zo nodig door de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling nader zal zijn beslist, de door de man te betalen kinderbijdragen vanaf 1 november 2012 tot aan de geboorte van [kind 2] ([geboortedatum] 2013) € 325,- per maand zal bedragen, dan wel een door het hof in goede justitie te betalen bedrag, en vanaf de geboorte van [kind 2] € 209,- per maand, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
met terugwerkende krachtheeft gewijzigd.
NJ2014/225 overwoog [11] , gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting, blijkens vaste rechtspraak van Uw Raad (zie HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757,
NJ2008/27 en HR 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9246,
NJ2008/65) de volgende regels (rov. 3.5.1):
NJ2009/304, en HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310,
NJ2011/514). Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.”
“Terugwerkende kracht”gewezen op haar lage inkomen, gesteld dat zij om rond te kunnen komen met betrekking tot kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] onderhandse leningen heeft afgesloten bij vrienden en familie, die zij weer heeft terugbetaald nadat de vader de achterstallige alimentatie had betaald, en voorts gewezen op het feit dat er geen sprake is geweest van een te hoog vastgestelde behoefte. Zij heeft gesteld dat terugbetaling in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.