Conclusie
eerste middelklaagt dat het onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
tweede middelklaagt dat het onder 2 primair bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Feit 1 primair
Dat de auto van verdachte mogelijk is gekloond, hetgeen door de verdediging is geopperd, is op grond van die bewijsmiddelen en bij gebreke van een nadere onderbouwing van dat verweer niet aannemelijk geworden.
- zijn twee mededaders, die als passagier in de door hem bestuurde auto zaten, naar de betreffende plaats delict heeft gebracht,
- nadat zij de auto daar hadden verlaten, met draaiende motor in de auto is blijven wachten,
- de bestuurder van een andere auto, die voor hem wilde parkeren, heeft aangemaand weg te gaan,
- de beide achterportieren van de auto heeft opengehouden
- en vervolgens, toen zijn mededaders gemaskerd en in bezit van de tas van [betrokkene 1], waarin zich een aanzienlijk geldbedrag bevond (13.750,- euro), weer waren teruggerend naar de auto en vervolgens op de achterbank hadden plaatsgenomen, met hoge snelheid is weggereden.
Van enige uitvoeringshandeling van de bewezenverklaarde feiten blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dus niet. Verdachtes gedragingen laten zich typeren als gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Dat wordt niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat – zoals het Hof overweegt - verdachte kennelijk een vrije vluchtweg wilde creëren voor hem en zijn mededaders. Het blijft daarmee immers “helpen bij vlucht”, door de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest genoemd als een gedraging die met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht, te weten een gedraging die bestaat in het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. [1] Anders dan het Hof overweegt kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedragingen dus niet worden afgeleid dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering voorafgaand aan de beroving en na afloop van de beroving, dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.
derde middelhoudt in dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in het licht van de gebrekkige onderbouwing van die vordering en hetgeen tegen die vordering is aangevoerd onvoldoende is gemotiveerd.
(…)
Ik ben van mening dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom verzoek ik de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
(…)
De gemachtigde van de benadeelde partij, mr. E.N. Bouwman, deelt - zakelijk weergegeven - mee:
Vordering benadeelde partij:
(…)
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij merk ik op dat er een fors geldbedrag is ontvreemd. Dit is moeilijk met stukken te onderbouwen. De benadeelde partij heeft uitgelegd hoe het is gegaan. Er zijn meerdere personen geweest die het geld hebben gezien. De broer en dochter van [betrokkene 2] wisten van het geldbedrag af. De vordering kan echter niet nader onderbouwd worden. Dit betekent dat, hoe spijtig ik dat ook vind, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert en de benadeelde partij mijns inziens niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.