ECLI:NL:HR:2013:BX6909
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Y. Buruma
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt voorwaarden voor kwalificatie van witwassen bij eigen misdrijf
In deze zaak stond de vraag centraal of het voorhanden hebben van een geldbedrag, afkomstig uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf (niet-ambtelijke corruptie), kwalificeert als witwassen. De verdachte was werkzaam als accountmanager bij een bank en had in strijd met interne regels provisiegelden aangenomen en deze deels vergokt.
De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie en verduidelijkt dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf niet automatisch leidt tot een veroordeling voor witwassen. Er moet sprake zijn van gedragingen die gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen.
In deze zaak oordeelde het hof dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen, maar de Hoge Raad vond de motivering ontoereikend, vooral omdat het vergokte gedeelte niet meer als voorhanden kan gelden en voor het overige gedeelte geen gedragingen waren vastgesteld die gericht waren op het verbergen van de criminele herkomst.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde beoordeling en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van het witwassen.