Conclusie
[eisers]/[verweerder](ECLI:NL:GHSHE:2014:1276).
1.Feiten en procesverloop
2.Het cassatiemiddel
3.Toelichting
Walvius) wordt art. 20, lid 2 jo. 21 WvK zo uitgelegd dat voor de toepassing ervan niet relevant is of de wederpartij van de commanditaire vennootschap wist dat hij met een commanditaire vennoot handelde en dus wist dat deze slechts tot het bedrag van zijn inbreng aansprakelijk is. In het voetspoor hiervan heeft het hof in het thans voor cassatie in belang der wet voorgedragen arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de derde (in casu de verhuurder) op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat [eisers] niet beherend maar commanditair vennoot waren, niet relevant is voor het antwoord op de vraag of [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de CV jegens [verweerder] verschuldigde personeelsvergoedingen (zie rov. 4.7 van ’s hofs arrest). Ik heb hiertegen bezwaar. Daarbij komt dat ik het vreemd vind dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] de schijn jegens derden (waartoe –neem ik aan – ook de wederpartij [verweerder] behoort) hebben opgewekt dat zij beherende vennoot zijn terwijl daarvoor niet terzake doet of de wederpartij wist dat [eisers] geen beherende, maar commanditaire vennoten waren. Dit komt mij tegenstrijdig voor. Dit standpunt van het hof levert ook allerlei praktische complicaties op. Maeijer verdedigt bij voorbeeld dat, ingeval een commanditaire vennootschap een onroerend goed verwerft of vervreemdt, het partij zijn van de commanditaire vennoot bij de levering van het betrokken onroerend goed en het vermelden van de commanditaire vennoot in de akte van levering geen overtreding van bestuursverbod oplevert [4] . Dit standpunt acht ik juist, maar is lastig te handhaven in de benadering van het hof.
société en commanditein de Franse
Code de Commercevan 1807 [7] . In art. 28 van Pro deze
Code de Commercefigureerde een sanctie op overtreding van het bestuursverbod voor het eerst [8] . Hoewel het bestuursverbod al langer van kracht was – oorspronkelijk in de regeling van de
accomanditain de statuten van Noord-Italiaanse handelssteden als Florence en Venetië in de 15e en 16e eeuw, als rechtvaardiging voor de beperking van de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot, en vervolgens in de Franse
Ordonnance de Commercevan 1673 – hadden de commanditaire vennoten tot dan toe in de praktijk de vrijheid om zich met het bestuur van de vennootschap in te laten. Over de ontwikkeling van deze sanctie, die dus een Franse innovatie is, schrijft Tervoort in zijn recente proefschrift (opmerking verdient dat Tervoort de beherende vennoot gecommanditeerde vennoot noemt):
Code de Commerce 1807, de voorloper van art. 21 WvK Pro, werd in de Franse doctrine doorgaans beschouwd als middel om het gedrag van de handelende vennoot te laten aansluiten op zijn juridische positie. De gedachtegang was: gedraag je je als een beherend vennoot, dan ben je net als een beherend vennoot volledig aansprakelijk [10] . Waarom de Franse regeling in het Nederlandse recht is geïncorporeerd, kan niet uit de parlementaire geschiedenis van art. 20 en Pro 21 WvK worden afgeleid. De enige vermelding van het bestuursverbod en de sanctie op overtreding ervan is te vinden in een rede van het Belgische kamerlid Nicolaï tijdens de beraadslagingen op 10 februari 1826. Daarin refereert hij aan de voorkoming van de situatie dat commanditaire vennoten zich van te gewaagde transacties kunnen bevrijden:
Walvius-arrest, koos het gerechtshof Leeuwarden een andere, strengere koers. De casus lag als volgt. Mr. Walvius, een te Drachten wonende advocaat en procureur die ook commanditaire vennoot van een commanditaire vennootschap R.B.M.H. Industrie Jenny was, bestelde bij leverancier N.V. Stamp- en Trekwerk namens de beherend vennoot een aantal houders voor ‘fietsplaatjes’. Deze plaatjes moesten aangeschaft worden in verband met de rijwielbelasting die destijds werd geheven. De vennootschap nam uiteindelijk niet alle houders af, waardoor de leverancier schade leed. Mr. Walvius werd aangesproken tot vergoeding daarvan. Daartegen verweerde hij zich met de stelling dat art. 21 WvK Pro niet van toepassing is als de derde wetenschap heeft over de ware positie van de handelende vennoot. In beide feitelijke instanties kreeg hij ongelijk. Het hof Leeuwarden overwoog in zijn arrest van 11 februari 1942 (NJ 1942/718) dat art. 21 WvK Pro geen uitzondering maakt voor het geval dat een derde weet of meent te weten dat de werkelijke positie van de handelende vennoot een andere is dan die welke zijn optreden naar buiten toe zou doen vermoeden; enige wetenschap of indruk bij de derde over de ware positie van de handelende vennoot was volgens het hof irrelevant en stond aan toepassing van art. 21 WvK Pro niet in de weg. De Hoge Raad heeft het door mr. Walvius hiertegen ingestelde cassatieberoep verworpen, overwegende:
Sleephelling Maatschappij Scheveningen/Buis). Dat arrest had betrekking op een overtreding van de andere grond voor toepassing van art. 21 WvK Pro, namelijk het voorschrift in art. 20 lid 1 WvK Pro dat de naam van de commanditaire vennoot niet in de naam van de vennootschap mag voorkomen. De Hoge Raad wijdde enkele algemene overwegingen aan art. 21 WvK Pro, die ik hieronder aanhaal:
Walviusis vaste rechtspraak geworden. Ik wijs op HR 24 april 1970, NJ 1970/406 (
Romano Import) en op het recente arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 juli 2009 (NJF 2010/60, JOR 2010/37 m.nt. Stokkermans), waarin nogmaals is uitgemaakt dat de aansprakelijkheid ingevolge artikel 21 WvK Pro dwingend is en niet kan worden gemitigeerd.
Romano Import. Daarin verzucht hij:
société en commanditeals gevolg van de sanctie (verder) terug zou lopen [19] . Bij wet van 6 mei 1863 [20] werd artikel 28 van Pro de
Code du Commerceals volgt gewijzigd:
il peut, suivant le nombre ou la gravité de ces actes, être déclaré’ werd aan de rechter de discretionaire bevoegdheid toegekend om aan de hand van het aantal en het gewicht van de verrichte bestuurshandelingen te beslissen of en zo ja in hoeverre de handelende commanditair aansprakelijk werd gehouden voor de schulden van de vennootschap. In 1966 werd de bepaling slechts redactioneel aangepast. Zij werd vervolgens ongewijzigd vernummerd tot het thans geldende art. L. 222-6 al. 2 van de
Code de Commerce2000 [21] .
Allgemeines Deutsches Handelsgesetzbuch 1861 [22] ), maar deze sanctie werd afgeschaft in het op 1 januari 1900 ingevoerde en thans nog geldende
Handelsgesetzbuch. Tegenwoordig is een
Kommanditistonder Duits recht alleen in uitzonderingsgevallen onbeperkt aansprakelijk jegens vennootschapscrediteuren, zoals bij misleiding, het doen van onjuiste mededelingen, het verstrekken van onjuiste informatie en het opwekken of in stand houden van de schijn en bij onrechtmatige daadssituaties [23] .
limited partnerde schijn van bevoegde vertegenwoordiging heeft gewekt danwel de vennootschap onbevoegd heeft vertegenwoordigd. Aansprakelijkheid kan in de eerste plaats voortvloeien uit de zogenoemde
breach of warranty of authority,dat wil zeggen wanneer de
limited partnerniet instaat voor zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hij is dan aansprakelijk voor de schade die derden dientengevolge hebben geleden. In de tweede plaats is de
limited partnerjegens derden aansprakelijk indien hij zich
als general partnergedraagt of willens en wetens duldt dat hij door derden of door de partnership als
general partnerwordt gepresenteerd. Dit betreft het leerstuk van
holding out,dat weerspiegeld is in het aangehaalde art. 14 van Pro de Partnership Act 1890. Voor een succesvol beroep op dit leerstuk dient de onjuiste schijn te zijn gewekt vóórdat de derde met de vennootschap handelt, dient de schijn te zijn gewekt jegens de betrokken derde zelf, en moet de derde aantonen dat hij op de onjuiste schijn is afgegaan. Als deze hordes zijn genomen, is de
limited partneraansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap die voortvloeien uit rechtshandelingen die derden onder invloed van een onjuiste schijn hebben verricht. De sanctie van aansprakelijkheid voor alle schulden van de vennootschap kent het Engelse recht dus niet [24] .