Conclusie
Wet Bpf 2000). Eiseres in cassatie is in eerste aanleg en in hoger beroep als (indirect) bestuurder van een in 2016 gefailleerde B.V., naar aanleiding van een door verweerster in cassatie (het pensioenfonds) jegens haar uitgevaardigd dwangbevel, persoonlijk aansprakelijk gehouden op de voet van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 voor de niet door de B.V. voldane bijdragen aan het pensioenfonds (plus rente en boetes, welk totaalbedrag inmiddels ruim € 1 miljoen beloopt). Dit wegens, kort gezegd, het niet op de juiste wijze melden van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 zijdens de B.V. bij het pensioenfonds. Het cassatieberoep richt diverse pijlen op het bestreden arrest. M.i. treft een aantal daarvan doel.
1.De feiten
PFZW) fungeert als een bedrijfstakpensioenfonds zoals bedoeld in de Wet Bpf 2000.
[A]), opgericht op 22 december 2008, was actief in de thuiszorg en vanaf 1 januari 2010 op grond van de Wet Bpf 2000 verplicht om deel te nemen aan PFZW en daarvoor premie te betalen.
[eiseres]) is vanaf 30 augustus 2006 enig aandeelhouder en bestuurder van [B] B.V. en derhalve vanaf 22 december 2008 (indirect) bestuurder van [A] .
mr. Stassen), aan PFZW een brief gestuurd waarin onder andere het volgende stond vermeld:
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) deze vordering afgewezen. [2]
hof) een comparitie gelast. [4] Van de op 4 februari 2020 gehouden zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Geldigheid van het dwangbevel
Formele meldingen van betalingsonmacht zijn er los van de brief van mr. Stassen niet gedaan. Ik ben ervan uitgegaan dat dat niet meer hoefde. We waren steeds in gesprek. Ik wist niet dat het net zo werkte als bij de belastingdienst.(…)”.
arrest). PFZW heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft haar standpunten schriftelijk toegelicht. [eiseres] heeft van schriftelijke toelichting afgezien.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Besluit). [10] Indien het lichaam aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de genoemde bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de melding (art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 in verbinding met art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000). De stelplicht en bewijslast ter zake rusten dan in beginsel op het pensioenfonds. [11] Indien het lichaam niet aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is; tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan de genoemde verplichting heeft voldaan (art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000). Dit laatste vormt dan een extra drempel voor de bestuurder. [12] Art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000, met het daaraan inherente (mogelijk weerlegbare) aansprakelijkheidsvermoeden, is dus streng voor de bestuurder. Het voorgaande biedt geen volledig beeld, maar de hoofdlijn van de wettelijke systematiek in de genoemde bepalingen, waarbij geldt dat gaandeweg in de rechtspraak nuanceringen zijn aangebracht (zie ook onder 3.8 en 3.10 hierna).
Het is goed om hier voor ogen te houden dat art. 23 Wet Pro Bpf 2000 grote gelijkenissen vertoont met art. 36 Invorderingswet Pro 1990 (hierna: de “
Iw 1990”), waarin de aansprakelijkheid van bestuurders ingeval van onbetaald gebleven belastingschulden is neergelegd. Art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 legt eveneens een meldingsplicht op (de bestuurder van) het lichaam dat, kort gezegd, in betalingsonmacht verkeert en kent eveneens de mogelijkheid dat de ontvanger het lichaam verzoekt om nadere inlichtingen te verstrekken en/of om stukken over te leggen, vergelijkbaar met art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Art. 36 lid 3 Iw Pro 1990 geeft een met art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 vergelijkbare (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling, gelijk art. 36 lid 4 Iw Pro 1990 dat doet in verhouding tot art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000. [13] De overeenkomst tussen beide bepalingen is terug te voeren op hun gemeenschappelijke herkomst. Beide bepalingen zijn (in hun huidige vorm) ingevoerd met de in 1987 in werking getreden Wet Bestuurdersaansprakelijkheid. [14] Deze wet, die ook wel bekendstaat als de tweede misbruikwet, introduceerde een hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van commerciële “lichamen” voor door die lichamen onbetaald gelaten premie- en belastingschulden, voor zover dat niet-betalen het aannemelijke gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De wet bracht daartoe wijzigingen aan in onder andere de Wet Bpf 1949 (thans: de Wet Bpf 2000), enkele belastingwetten (thans samengebracht in de Iw 1990) en in enkele socialeverzekeringswetten (onder meer in de Werkloosheidswet). [15] De inhoud van de aansprakelijkheidsbepalingen in deze wetten was (en is) nagenoeg gelijk. In het bijzonder komt, voor zover hier relevant, art. 23 Wet Pro Bpf 2000 in hoge mate overeen met art. 36 Iw Pro 1990. Mede gelet op hun gelijkenis ligt een onderlinge afstemming waar mogelijk en aangewezen van de regeling voor onbetaalde pensioenbijdragen (in art. 23 Wet Pro Bpf 2000) en de regeling voor onbetaalde belastingschulden (in art. 36 Iw Pro 1990) in de rede, welk uitgangspunt ook aansluit op de rechtspraak [16] en de literatuur. [17] In de onderhavige zaak spitst het debat in cassatie zich toe op de vraag, kort gezegd, of bestuurder [eiseres] nog overeenkomstig art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 (daadwerkelijk) melding van betalingsonmacht zijdens [A] moest doen aan PFZW en, zo ja, die melding heeft gedaan aan PFZW, onverwijld nadat is gebleken dat [A] niet kon voldoen aan de verplichting om (achterstallige) pensioenpremies af te dragen. Onderdeel 3 richt zich tegen ’s hofs overwegingen hierover. Hiernaast klaagt het middel over de geldigheid van het dwangbevel (onderdeel 1), de verbindendheid van het schriftelijkheidsvereiste van art. 2 Besluit Pro (onderdeel 2) en het bedrag van het dwangbevel (onderdeel 4). Ik begin met onderdeel 1.
Ingevolge art. 21 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 kan het pensioenfonds verschuldigde premies en kosten invorderen bij dwangbevel, indien deze na ‘aanmaning per aangetekende brief’ niet binnen dertig dagen zijn voldaan. Deze bepaling is via art. 23 lid 12 Wet Pro Bpf 2000 van overeenkomstige toepassing op de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder van het lichaam.
Het hof stelt in rov. 3.3 bij de behandeling van het desbetreffende verweer van [eiseres] voorop dat de brief van PFZW van 24 december 2015 (de aanmaning) is verzonden via de particuliere onderneming [D] / [E] “en in persoon [is] uitgereikt op het huisadres van [eiseres] ”, terwijl [eiseres] niet betwist dat zij de brief heeft ontvangen. [22] Daarop vervolgt het hof met de vaststelling dat aangetekende verzending de bedoeling heeft zeker te stellen dat een brief de geadresseerde bereikt en dat, nu vaststaat dat dat hier het geval is, het op dit punt door [eiseres] gevoerde verweer niet opgaat.
Deze in onderling(e) verband en samenhang te lezen overwegingen van het hof, waaruit volgt dat de feitelijke gang van zaken rond de bezorging door [D] / [E] van de brief [23] en de niet-betwiste ontvangst daarvan door [eiseres] aansluiten op de door het hof gememoreerde bedoeling van aangetekende verzending, [24] laten zien dat het uitgangspunt van het subonderdeel onjuist is. Naar het klaarblijkelijke oordeel van het hof, dat (dus) niet slechts ‘hangt’ op de vaststelling dat [eiseres] niet betwist dat zij de brief heeft ontvangen, en waarmee het hof (ook) verwerpt de stellingname van [eiseres] waar die - ondanks de gegeven vaststellingen - verdergaande eisen stelt aan het hier kunnen vaststellen van een daadwerkelijk aangetekende verzending, [25] is immers wel degelijk sprake geweest van een aangetekende verzending van de aanmaning zoals (ook) bedoeld in art. 21 lid 1 Wet Pro Bpf 2000, [26] zodat het in rov. 3.3 door het hof beoordeelde verweer van [eiseres] moet worden verworpen.
Kortom, het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Ik merk daarbij nog op - voor zover de voorlaatste zin van het subonderdeel nog een te onderscheiden klacht bevat, wat onduidelijk is [27] - dat zonder toelichting, die in het subonderdeel ontbreekt, niet valt in te zien dat het hof met de in rov. 3.3 gevolgde benadering ‘kennelijk’ zou aannemen dat (het vereiste van) aangetekende verzending van een aanmaning geen relevantie heeft voor de vraag
wanneerdie aanmaning de bestuurder heeft bereikt althans aan hem is aangeboden. Het behoeft geen betoog dat het kunnen beantwoorden van die vraag inherent is aan de figuur van aangetekend verzenden, met uitreiking van de brief in persoon aan het huisadres van de geadresseerde, en (dan) ook in het logisch verlengde ligt van de door het hof gememoreerde bedoeling van aangetekende verzending. [28] Hierop stuit het subonderdeel af.
In de systematiek van art. 21 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 ontstaat de bevoegdheid van het pensioenfonds om een dwangbevel uit te vaardigen, eerst nadat het lichaam of (zoals in de onderhavige zaak) de hoofdelijk aansprakelijke bestuurder een bijdrage niet of niet geheel binnen dertig dagen heeft voldaan na daartoe te zijn aangemaand bij aangetekende brief. De bevoegdheid van het pensioenfonds is, voor zover hier relevant, dus gekoppeld aan (i) de omstandigheid dat het lichaam dan wel de bestuurder is aangemaand en (ii) het gegeven dat, na die aanmaning, niet binnen dertig dagen is betaald. De voorwaarde onder (i) vindt vervolgens een uitwerking in art. 21 lid 2 Wet Pro Bpf 2000, dat, voor zover hier van belang, eist dat de aanmaning de inhoud van het eerste lid (dus van art. 21 Wet Pro Bpf 2000) vermeldt.
Het niet vermelden in de aanmaning van de wettelijke dertigdagentermijn (de “inhoud” van het eerste lid) pakt dus in beginsel, althans potentieel, fataal uit voor de bevoegdheid van het pensioenfonds om een dwangbevel uit te vaardigen. Art. 21 lid 2 jo Pro. lid 1 Wet Bpf 2000 eist echter niet meer dan het vermelden daarin van die dertigdagentermijn. Niet is vereist dat, naast die vermelding, een in de aanmaning opgenomen op dat geval toegesneden berekening van de betalingstermijn juist is, met inbegrip van de datum waarop deze betalingstermijn tot een einde komt. Weliswaar mag redelijkerwijs van het pensioenfonds worden verwacht dat het dan de wettelijke dertigdagentermijn in de aanmaning vertaalt in een correcte berekening van de betalingstermijn, maar uit de wet volgt niet dat een verzuim dit te doen (kort gezegd: het noemen van een onjuiste concrete betalingstermijn) zonder meer gevolg heeft voor de geldigheid van de aanmaning en de bevoegdheid een dwangbevel uit te vaardigen, wat temeer, of in ieder geval, als doelmatig voorkomt waar het lichaam of de bestuurder niet (onevenredig) geschaad is door zo’n verzuim. [30] In de onderhavige zaak overweegt het hof in rov. 3.4 dat [eiseres] , na daartoe door PFZW te zijn aangemaand bij brief van 24 december 2015, ook binnen de door [eiseres] genoemde concrete betalingstermijn niets heeft betaald naar aanleiding van die aanmaning: noch binnen de in de aanmaning genoemde, te korte concrete betalingstermijn (die afliep op 23 januari 2016), noch binnen de door [eiseres] genoemde, langere concrete betalingstermijn conform “de 30-dagen termijn” van art. 21 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 (die, naar het hof vaststelt, vanwege de feestdagen werd verlengd en afliep op 28 januari 2016). Eerst (ruimschoots) na laatstgenoemde betalingstermijn heeft PFZW een bevelschrift uitgevaardigd en betekend, waartoe het toen ook gerechtigd was. Het enkele feit dat de in de aanmaning genoemde (concrete betalings)termijn korter was (dus dan die wettelijke dertigendagentermijn), maakt niet dat de aanmaning niet geldig is, aldus nog steeds het hof.
Uit deze overwegingen van het hof in rov. 3.4 blijkt niet alleen dat volgens het hof is voldaan aan voorwaarde (ii) hiervoor, maar ook dat volgens het hof het door PFZW in de aanmaning noemen van een onjuiste - want te korte - concrete betalingstermijn zonder meer geen gevolg heeft voor de geldigheid van die aanmaning en haar bevoegdheid een dwangbevel uit te vaardigen, althans in ieder geval niet waar [eiseres] , zoals hier, daardoor niet (onevenredig) is geschaad; waarmee evenmin een grond is geven waarom aan voorwaarde (i) hiervoor niet zou zijn voldaan. [31] In het licht van het voorgaande geeft dit oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Zoals gezegd (zie onder 3.2 hiervoor), volgt uit art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000, kort gezegd: dat, als het lichaam zoals bedoeld in art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 niet in staat is tot betaling van de verschuldigde bijdragen ter zake van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, het gehouden is onverwijld nadat dit gebleken is daarvan mededeling te doen aan het pensioenfonds en, indien het pensioenfonds dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen; dat elke bestuurder bevoegd is om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen; en dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van deze melding, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van deze melding (“mededeling”), het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden, waaraan uitvoering is gegeven met het Besluit. Art. 2 Besluit Pro (inzake “De mededeling”) bepaalt het volgende:
In 1991 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad een gelijkluidende bepaling in het (destijds geldende) Uitvoeringsbesluit LB 1965 onverbindend verklaard, nu, kort gezegd, het schriftelijkheidsvereiste in die bepaling niet kon steunen op de (destijds geldende) delegatiebepaling van art. 32a lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964. [35] De belastingkamer heeft er in dit verband op gewezen dat de wetgever van 1986 een beperking heeft aangebracht in de in de wet gegeven bevoegdheid tot stellen van nadere regels, nadat de Raad van State had geadviseerd om een beperking op te nemen. [36] De Centrale Raad van Beroep heeft een jaar later om dezelfde redenen en “wegens de directe en volledige samenhang tussen de fiscale en sociaal-verzekeringsrechtelijke elementen” geoordeeld dat de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen niet-schriftelijk kon worden gedaan. Hij achtte het toepasselijke Koninklijk Besluit onverbindend voor zover het de eis van schriftelijkheid stelde. [37] In reactie op het Hoge Raad-arrest van 1991 heeft de besluitgever het fiscale schriftelijkheidsvereiste enige jaren daarna laten vervallen. [38] De fiscale delegatiebepaling zoals die destijds gold, stemt overeen met de delegatiebepaling in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. [39] Het ter zake volgen van de (staatsrechtelijke) redenering die de belastingkamer van de Hoge Raad aan het arrest van 1991 ten grondslag legt, voert ertoe dat ook art. 2 lid 1 Besluit Pro onverbindend is voor zover het, kort gezegd, een
schriftelijkemelding (‘mededeling”) van betalingsonmacht eist, wat betekent dat de wijze van melden van betalingsonmacht op de voet van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 vormvrij is zodat voor doeleinden van die meldingsplicht van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 een niet-schriftelijke (mondelinge) melding (“mededeling”) van betalingsonmacht ook kan volstaan als overigens aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan. [40] , [41] Ik bepleit dit aan te houden, maar in temporeel begrensde zin.
Vooropgesteld zij dat er goede grond bestaat om de regeling voor pensioenschulden in art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waar mogelijk en aangewezen, af te stemmen op de regeling voor belastingschulden in art. 36 Iw Pro 1990 (zie onder 3.2 hiervoor). In dit licht is van belang dat de wil van de wetgever zelf er al geruime tijd kenbaar toe strekt wat betreft, kort gezegd, de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht een schriftelijkheidsvereiste te hanteren. Weliswaar heeft, zoals gezegd, de besluitgever in reactie op het Hoge Raad-arrest van 1991 het fiscale schriftelijkheidsvereiste ter zake enige jaren daarna laten vervallen, [42] maar nadien is dat vereiste weer ingevoerd, door tussenkomst van de wetgever. Sinds (4 juli) 2010 is het schriftelijkheidsvereiste verankerd in art. 36 lid Pro 2 (eerste zin) Iw 1990 en opgenomen in art. 36.5.1 Leidraad Invordering 2008. [43] De wetgever hecht nadrukkelijk waarde aan het schriftelijkheidsvereiste ter zake, zo blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de wetswijziging, die hierover helder is: [44]
[C]) en de daardoor noodzakelijke dubbele betalingen vanaf 2010).
Hiervoor ben ik reeds ingegaan op aspecten van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 en het Besluit (zie onder 3.2 en 3.8 hiervoor). Ik voeg daaraan het volgende toe.
In de Nota van toelichting op het Besluit is onder meer opgemerkt: [58]
1. Inleiding
(…)
De termijn waarbinnen de mededeling moet worden gedaan is veertien kalenderdagen na de dag waarop de bijdrage betaald had moeten zijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan het begrip «onverwijld» in artikel 23, tweede lid, van de Wet Bpf 2000.
In de rechtspraak inzake art. 23 Wet Pro Bpf 2000 keert de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000, dus - in essentie - tijdig en correct gedaan, regelmatig terug. Deze rechtspraak laat zien dat feitenrechters betrekkelijk strikt de hand plegen te houden aan de eis van zo’n melding (conform ook het Besluit) zijdens het lichaam, waarbij, kort gezegd, mede sprake dient te zijn van een zodanig expliciet bericht [61] aan het pensioenfonds dat het voor haar afdoende duidelijk is, aldus dat zij daarmee weet of moet weten (redelijkerwijze behoort te begrijpen), dat het lichaam niet in staat is (of zal zijn) tot betaling van bepaalde bijdragen en wat de omstandigheden zijn die daartoe hebben geleid (op het schriftelijkheidsvereiste ging ik onder 3.8 hiervoor in). [62] Is zo’n melding gedaan, dan behoeft niet opnieuw een zodanige melding te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, (in ieder geval) tenzij het pensioenfonds het lichaam na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. [63] Naar evenwel uit recente rechtspraak wordt opgemaakt, kan, kort gezegd, onder omstandigheden tevens sprake zijn van die wetenschap bij het pensioenfonds van betalingsonmacht van het lichaam uit anderen hoofde dan zo’n melding (“mededeling”), een en ander met in beginsel hetzelfde gevolg: [64] , [65]
Technisch is dat zeker mogelijk. Wat betreft het Hoge Raad-arrest van 13 juli 1994 geldt dat het te dezen gaat om dezelfde parlementaire geschiedenis, die van de wet van 1986 (zie ook onder 3.2 hiervoor). En ook de redenering in het Hoge Raad-arrest van 28 februari 2014 kan naar de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 worden doorgetrokken; niet alleen wat betreft de koppeling die de belastingkamer van de Hoge Raad wat betreft art. 36 Iw Pro 1990 legt tussen enerzijds de regel dat als eenmaal een tijdige en correcte melding (“mededeling”) van betalingsonmacht aan de ontvanger is gedaan, in beginsel geen nieuwe melding nodig is zolang de achterstand voortduurt, maar ook de overweging dat het vorenstaande (omtrent die doorwerking) evenzeer geldt indien de ontvanger uit anderen hoofde dan een melding van betalingsonmacht op de hoogte raakt van betalingsonmacht van de belastingschuldige, wat impliceert dat de ontvanger ook langs laatstgenoemde weg die wetenschap kan hebben. Eerstgenoemde regel is, in essentie, dus reeds voor de Wet Bpf 2000 aanvaard door de civiele kamer van de Hoge Raad in het arrest van 24 november 2017, in navolging van een arrest van 16 maart 2007 gewezen door de belastingkamer inzake art. 36 Iw Pro 1990. [70] Voor een (daarop aansluitende) gelijktrekking ook bij de tweede regel (en de genoemde implicatie daarvan) spreekt veel, en de met genoemd arrest van 24 november 2017 getrokken lijn staat daaraan ook niet in de weg, noch (het wettelijk systeem van) de Wet Bpf 2000 en het Besluit. Zoals eerder opgemerkt (zie onder 3.2 en 3.8 hiervoor), moet het uitgangspunt zijn, kort gezegd, dat de regeling van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 waar mogelijk en aangewezen wordt afgestemd op de regeling van art. 36 Iw Pro 1990. Dit vertrekpunt doet dus, zoals voornoemde rechtspraak ook laat zien, niet minder opgeld voor art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 en art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Daarmee strookt het om ook bij art. 23 Wet Pro Bpf 2000 te aanvaarden dat aan de meldingsplicht in lid 2 van die bepaling (waar op zich aan de orde, aldus dat daadwerkelijk een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 moet worden gedaan ten aanzien van bepaalde bijdragen) in beginsel niet verder wordt toegekomen, en dus ook niet aan schending daarvan, als het pensioenfonds gegeven de omstandigheden tijdig (voordat het moment is bereikt waarop zo’n melding hier tardief zou zijn) uit anderen hoofde dan zo’n melding wetenschap heeft - weet of moeten weten (redelijkerwijze behoort te begrijpen) - van betalingsonmacht van het lichaam ten aanzien van de desbetreffende bijdragen, waarvoor zo’n melding derhalve niet noodzakelijk is. [71] , [72] Op het schriftelijkheidsvereiste inzake zo’n melding ben ik in dit verband onder 3.8 hiervoor al ingegaan, waarnaar ik verwijs. Uitgangspunt kan dan zijn dat, als ten aanzien van bepaalde bijdragen aldus schending van die wettelijke meldingsplicht zich niet voordoet, het ontbreken van zo’n melding op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan toepassing van de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 ter zake, [73] te onderscheiden van die van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 welke voor de bestuurder aanmerkelijk strenger is en in beginsel tot diens aansprakelijkheid leidt (zie onder 3.2 en 3.8 hiervoor). Het ligt in de rede, gelet ook op de functie van zo’n melding (waarover ook hierna), dat bij zo’n ‘uit anderen hoofde’-scenario het voor het pensioenfonds aanwezige zicht op die actuele betalingsonmacht van het lichaam op basis van de haar beschikbare informatie dan wel ten minste zodanig dient te zijn dat dit, in termen van duidelijkheid, en in totaliteit bezien, (niet on)vergelijkbaar is met het zicht daarop dat zij zou hebben gehad op basis van informatie verschaft met zo’n melding (dus tijdig en correct gedaan), met inbegrip van inzicht in de omstandigheden die tot de betalingsonmacht hebben geleid, waarover hiervoor. Ik merk daarbij op dat, naar wordt aangenomen, betalingsonmacht van het lichaam (het ‘niet in staat zijn te betalen’ in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000) zich in diverse varianten kan voordoen en niet al te beperkt wordt opgevat, wat ook hier relevant is. [74] Ik merk daarbij ook op dat het bij zo’n ‘uit anderen hoofde’-scenario naar de aard niet hoeft te draaien om één bron(bericht) voor die wetenschap bij het pensioenfonds van betalingsonmacht van het lichaam, waar dat normaaltypisch wel het geval is bij zo’n melding. Als in het concrete geval het pensioenfonds, kort gezegd, uit anderen hoofde die wetenschap van betalingsonmacht van het lichaam heeft, dient het onverkort op straffe van in beginsel-bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 blijven eisen van het daadwerkelijk gedaan zijn van zo’n melding (“mededeling”) in mijn optiek niet langer een afdoende redelijk doel conform hetgeen de wetgever daarmee voor ogen heeft gestaan, nu het pensioenfonds immers ook dan (dus zonder zo’n melding) op een vroegtijdig tijdstip op de hoogte geraakt van de moeilijkheden waarin het lichaam zich bevindt, zodat het pensioenfonds, eventueel met gebruikmaking van de mogelijkheid die het slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 biedt (“en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt”, etc.), in staat is zich te beraden op de opstelling die het ten aanzien van het lichaam zal voeren, terwijl dit in de regel ook verband zal houden met eerdere actie van(wege) de bestuurder (al bestaat die dan niet uit zo’n melding). [75] Dat zo’n melding dan ontbreekt moge zo zijn, voor een andere uitkomst - een waarin de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 dan, om die reden, toch zonder meer leidend blijft, met alle gevolgen van dien voor de aangesproken bestuurder - acht ik dit, alles afwegende (en gelet ook op het navolgende), onvoldoende draagkrachtig. Deze lijn vindt (dus) ook steun in de recente literatuur, waar mede wordt opgemerkt dat het “zeer voor de hand [ligt] deze “leer” [de “vaste rechtspraak” bij art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 “dat een melding betalingsonmacht achterwege kan blijven als de fiscus reeds van de betalingsproblemen op de hoogte is of kan zijn”, A-G] ook toe te passen op de onderhavige bestuurdersaansprakelijkheid voor pensioenpremies.” [76] De argumenten die in de literatuur tegen een dergelijke gelijktrekking zijn aangevoerd, rechtvaardigen deze andere uitkomst m.i. per saldo niet, nog daargelaten dat de Hoge Raad centraal stelt de ratio van deze wettelijke meldingsplicht, die voor art. 36 Iw Pro 1990 en art. 23 Wet Pro Bpf 2000 op hetzelfde neerkomt (waarover hiervoor). Zo is wel opgemerkt dat de verhouding tussen de belastingdienst en de werkgever/bestuurder een andere is dan de verhouding tussen het pensioenfonds en de werkgever/bestuurder: [77]
De kernvraag luidt, om A-G Timmerman te parafraseren, [86] waarom de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 altijd in al haar gestrengheid zou moeten worden toegepast. Ook daarbij geldt, zoals hij in ander aansprakelijkheidsverband schreef: “Waarom moeten we streng zijn? Ik ben geen voorstander van strengheid, als er daarvoor geen goede inhoudelijke motieven zijn.” [87] De balans opmakend, bepleit ik dus als antwoord dat de voornoemde lijn van de belastingkamer van de Hoge Raad niet alleen kán worden aangehouden ook in verband met pensioenschulden en art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waardoor deze bepaling in zoverre in de pas zou lopen met het fiscale equivalent (art. 36 Iw Pro 1990), maar tevens de verkieslijke route biedt, met inachtneming van het voorgaande. [88] Ik keer nu, met inachtneming ook van het voorgaande, terug naar het subonderdeel. In rov. 3.7 van het arrest geeft het hof het betoog van [eiseres] verkort weer [89] waarop het respondeert in rov. 3.8:
Kortom, het subonderdeel treft doel.
Het subonderdeel verdedigt ten eerste bij wege van standaard een specifieke, formele plicht voor PFZW (kort gezegd: dat zij bij ieder onderhoud waarbij betalingsproblemen ter sprake kwamen [eiseres] had moeten wijzen op de meldingsplicht van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 en de implicaties daarvan) waarop [eiseres] zich in feitelijke instanties niet kenbaar heeft beroepen [100] en die, in zijn algemeenheid, hoe dan ook geen steun vindt in het recht. [101] Daarbij betrek ik dat art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 te herleiden valt tot, wat in de literatuur wordt genoemd, de categorie van “bindende rechtsregels die in hoofdzaak tot uitdrukking komen in formele wetgeving, daarvan afgeleide regelgeving [de term regelgeving wordt hier gebruikt in de zin van wetgeving krachtens delegatie, A-G] en rechtspraak”, vallend onder rechtsnormen ten aanzien waarvan op het bestuur van een rechtspersoon “een plicht rust om de rechtspersoon tot naleving te bewegen”. [102] Daar ligt dus, anders en kort gezegd, in beginsel ten minste ook een eigen verantwoordelijkheid voor de bestuurder van het lichaam, waarvan die wettelijke regeling ook uitgaat (zie onder 3.10 hiervoor; iets anders is dat, zoals daar uiteengezet en kort gezegd, het niet gedaan zijn van een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 niet altijd hoeft te leiden tot toepassing van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000).
Daarbij betrek ik verder dat uit de Wet Bpf 2000 en het Besluit een dergelijke standaardplicht niet blijkt en dat deze evenmin logisch te baseren valt op de intrinsiek contextuele maatstaven van redelijkheid en billijkheid, terwijl er evenmin is gebleken van enige op PFZW toepasselijke (beleids)regeling of een door haar gewekte gerechtvaardigd vertrouwen ter zake die/dat dit anders zou maken. Dat dit voor de belastingdienst anders is, gelet op het met de Leidraad Invordering 2008 gepubliceerde eigen beleid van de ontvanger (die/dat niet voor PFZW als bedrijfstakpensioenfonds geldt) waarin een dergelijke plicht nadrukkelijk is verankerd, [103] doet aan het voorgaande niet af; integendeel, het illustreert juist dat zonder een dergelijke basis voor een bedrijfstakpensioenfonds als PFZW zo’n standaardplicht, althans zonder meer, niet aan te nemen valt.
Daarbij komt dat de belastingdienst als onderdeel van de overheid (zie ook onder 3.10 hiervoor) gebonden is aan de bestuursrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het 'fair play'-beginsel die de overheid te allen tijde in haar contacten met elke burger in acht behoort te nemen, [104] welke beginselen, naar ook in de rechtspraak wordt aangenomen, niet van toepassing zijn op een bedrijfstakpensioenfonds (met in de praktijk diverse verschijningsvormen) in het kader van art. 23 Wet Pro Bpf 2000. [105] Een basis voor zo’n standaardregel heb ik in de literatuur evenmin aangetroffen. [106] Kortom, de vlieger van zo’n standaardplicht gaat niet op. Intussen acht ik het niet uitgesloten dat een bedrijfstakpensioenfonds, mede gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, in een concreet geval onder omstandigheden gehouden kan zijn een bestuurder van het lichaam op enig moment te wijzen op de in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde plicht tot het doen van een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht en de implicaties daarvan. Maar dat is iets anders dan zo’n standaardplicht.
Of de omstandigheden van het geval in de onderhavige zaak op enig moment zo’n (niet standaard)plicht voor PFZW jegens [eiseres] meebrachten, vergt een onderzoek van feitelijke aard waarvoor deze cassatieprocedure zich niet leent. [107] Anders dan het subonderdeel veronderstelt, is het hof tot zo’n onderzoek evenmin overgegaan [108] en behoefde het dat ook niet te doen bij gebreke van een kenbare stellingname ter zake zijdens [eiseres] die daartoe aanleiding had kunnen geven, nu, voor zover [eiseres] zich daaromtrent heeft uitgelaten, dit een opmerking tijdens het pleidooi in eerste aanleg betrof [109] die in hoger beroep buiten het door de grieven ontsloten gebied viel, [110] zodat het hof haar ook gezien art. 24 Rv Pro buiten beschouwing moest laten en (dus) niet met miskenning van art. 25 Rv Pro buiten beschouwing heeft gelaten.
Tot slot: zoals het voorgaande laat zien, mist het subonderdeel ook feitelijke grondslag waar het aanneemt dat het hof hierover “kennelijk” wel oordeelt (in andersluidende zin dan het subonderdeel verdedigt), daarmee uitgaande van een verkeerde lezing van het arrest.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Uit het slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 volgt dat, als het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt, het lichaam overgaat tot het verschaffen van nadere inlichtingen en/of het overleggen van stukken, conform dat verzoek van het pensioenfonds. Dit betreft, wat de toelichting op het Besluit noemt, de ‘tweede fase’ van de in art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 vervatte regeling, wat veronderstelt, kort gezegd, dat de ‘eerste fase’ - waarin het lichaam een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 heeft gedaan althans, zo voeg ik toe, het pensioenfonds uit anderen hoofde dan zo’n melding op de hoogte is geraakt van betalingsonmacht van het lichaam ten aanzien van de desbetreffende bijdragen [111] - is doorlopen (zie onder 3.2 en 3.10 hiervoor).
Dat slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 houdt, zonder meer, geen verplichting voor het pensioenfonds in. Zoals ook volgt uit de toelichting op (art. 3 van Pro) het Besluit (geciteerd onder 3.10 hiervoor), [112] die strookt met de tekst van dat slot (“en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt”, etc.), zal het pensioenfonds “aan de hand van de in de eerste fase verstrekte informatie (…) moeten beoordelen of er nog meer informatie nodig is” en “kan” het pensioenfonds vervolgens, in die tweede fase, het lichaam verzoeken om nadere inlichtingen te verstrekken en/of om stukken over te leggen. Dit laatste zal het pensioenfonds met name doen als het, gezien die eerste fase, daaraan behoefte heeft om zich (verder) te kunnen beraden op de opstelling die het ten aanzien van het lichaam zal voeren (zie ook onder 3.10 hiervoor). [113] Daarbij “kan [het] ook zijn dat het uitvoeringsorgaan [het pensioenfonds, A-G] van deze bevoegdheid geen gebruik maakt, bij voorbeeld omdat de financiële toestand van het bedrijf al bekend is”. [114] Mede gelet hierop valt niet op voorhand in te zien dat een pensioenfonds in een concreet geval jegens het lichaam gehouden zou zijn gebruik te maken van die aan het slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 geboden mogelijkheid, althans niet als uitgangspunt. In hoeverre een pensioenfonds in een concreet geval reden heeft daartoe over te gaan, moet in beginsel aan het beleid van het pensioenfonds worden gelaten. Tenslotte heeft niet primair het lichaam of de bestuurder er belang bij dat het pensioenfonds daartoe overgaat, maar het pensioenfonds zelf. Daarbij kan het lichaam of de bestuurder ook eigener beweging overgaan tot het verstrekken van nadere inlichtingen en/of het overleggen van stukken aan het pensioenfonds. Anderszijds is ook weer niet uitgesloten te achten dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in een concreet geval onder omstandigheden een plicht voor het pensioenfonds kunnen meebrengen daartoe over te gaan, waaraan bij niet-naleving rechtens consequenties verbonden kunnen worden.
Wat daarvan verder zij: het subonderdeel ziet hoe dan ook eraan voorbij dat [eiseres] bij haar vordering niet kenbaar (ook) heeft betrokken dat PFZW in dit specifieke geval op grond van het slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 (waarop het subonderdeel doelt) gehouden zou zijn [A] / [eiseres] om “nadere inlichtingen en/of stukken” te verzoeken, noch, in het verlengde daarvan, dat PFZW bij gebreke daarvan zich, in de door het subonderdeel bedoelde omstandigheden, jegens [eiseres] niet op het ontbreken van een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 kon beroepen, [115] welk betoog niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd.
Blijkens de opstelling van PFZW in feitelijke instanties, waarin zij onder meer heeft aangevoerd, kort gezegd, dat er door [eiseres] geen melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 zijdens [A] is gedaan en dat PFZW geen relevante wetenschap uit anderen hoofde had van de betalingsonmacht van [A] , [116] meende PFZW bovendien en logischerwijs ook niet dat er reden voor haar bestond op grond van dat slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 [A] te verzoeken over te gaan tot het verschaffen van nadere inlichtingen en/of het overleggen van stukken aan PFZW, teneinde haar opstelling jegens [A] (verder) te kunnen bepalen.
Gelet op dit een en ander was er geen aanleiding voor het hof te onderzoeken of hier op enigerlei wijze zo’n plicht voor PFZW bestond, wat het hof ook niet doet, en kan van een miskenning door het hof met diens oordeel - waarin die tweede fase verder ook geen rol speelt, nu, kort gezegd, in ’s hofs beoordeling in rov. 3.5-3.17 die eerste fase niet is doorlopen - van enige gehoudenheid van PFZW ter zake, zoals bedoeld in het subonderdeel, niet gesproken worden. Hetzelfde geldt dan voor het in de slotzin van het subonderdeel aangevoerde (in het verlengde daarvan liggende), waarover hiervoor.
Naar hieruit ook volgt, mist het subonderdeel verder feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat het hof “kennelijk” meent, kort gezegd, dat PFZW zich ook bij gebreke van zo’n verzoek nog jegens [eiseres] op het ontbreken van een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 kon beroepen. [117] Een dergelijk oordeel huldigt het hof (dus) niet, zodat het subonderdeel hier uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest.
Bij deze stand van zaken behoeft het subonderdeel geen verdere behandeling.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel klaagt onder (i) dat deze overweging onjuist is, omdat voor zo’n melding (“mededeling”) van betalingsonmacht - los van de eisen van art. 2 Besluit Pro, voor zover niet onverbindend - geen verdergaande eisen gelden dan die welke voortvloeien uit art. 3:37 lid 1 BW Pro en dat derhalve, bij de beoordeling of zo’n melding voor het pensioenfonds voldoende duidelijk is, onder meer belang toekomt aan de context waarin de melding wordt gedaan en aan de overige omstandigheden van het geval, waarbij het aantekent dat een melding tevens besloten kan liggen in een gedraging (“zie ook onderdeel 2”).
Voorts acht het subonderdeel onder (ii) vorenbedoelde overweging onbegrijpelijk, nu niet is in te zien hoe het lichaam pensioenpremie zou
incasseren; het lichaam is gehouden de premie
af te dragen. Als het hof bedoelt dat het lichaam premie inhoudt op het loon van haar werknemers, miskent het de praktijk bij betalingsproblemen (namelijk dat er bij gebrek aan liquiditeit doorgaans nog wel (enige tijd) geld is om aan de werknemers loon (in enge zin) te betalen, maar niet om ook nog (belastingen en) pensioenpremie af te dragen).
Ten slotte, zo klaagt het subonderdeel onder (iii), kan wat het hof onder verwijzing naar de kantonrechter overweegt niet redengevend zijn om strenge eisen te stellen aan een melding, omdat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat [A] wel degelijk premie afdroeg, zij het aan [C] (welke premie als gevolg van het faillissement van Aquito niet bij PFZW is terechtgekomen, zoals mede bleek uit de brief van mr. Stassen), zodat het niet zo was - zoals PFZW wist - dat [A] op ruim € 900.000,-- bestemd voor PFZW zat die zij ten onrechte niet aan PFZW afdroeg. [118]
Ik vang aan met de klacht
onder (i). Waar het hof (onder verwijzing naar de kantonrechter in rov. 4.11 van het eindvonnis) overweegt dat er goede redenen zijn om relatief strenge eisen te stellen aan de wijze waarop betalingsonmacht dient te worden gemeld, doelt het wat betreft die eisen eenvoudigweg op het in de onderhavige zaak toepasselijke art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 en art. 2 Besluit Pro inzake, kort gezegd, een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht (waarover even daarvoor in rov. 4.2 en 4.4-4.5 van het eindvonnis), mede onder verwijzing naar parlementaire geschiedenis (zie rov. 4.8-4.9 van het eindvonnis). Dit getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting (zie onder 3.2, 3.8 en 3.10 hiervoor). Daarbij wijs ik er overigens nog op dat uit art. 3:37 lid 1 BW Pro niet voortvloeit dat belang toekomt aan de context waarin zo’n melding is gedaan en aan de overige omstandigheden van het geval, nu art. 3:37 lid 1 BW Pro slechts betrekking heeft op de
vormwaarin verklaringen kunnen geschieden, [119] en dat aan voornoemde stelsel van de Wet Bpf 2000 en het Besluit inherent is dat de omstandigheden van het geval daarbij betrokken dienen te worden. [120] Voor zover de klacht ervan uitgaat dat een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 besloten kan liggen in een gedraging, miskent zij het in de onderhavige zaak toepasselijke schriftelijkheidsvereiste dat inherent is aan voornoemde stelsel en in zoverre afwijkt van het in art. 3:37 BW Pro neergelegde beginsel van vormvrijheid, waarbij verder zij verwezen naar de behandeling van onderdeel 2 (zie onder 3.8 hiervoor). [121] Daarop loopt de klacht vast.
Dan de klacht
onder (ii). De generieke overweging van het hof (onder verwijzing naar de kantonrechter) is niet anders op te vatten dan dat daarmee, kort gezegd, wordt bedoeld dat het lichaam pensioenpremies nog wel
inhoudt, maar niet afdraagt. De door de klacht bedoelde “praktijk bij betalingsproblemen” komt mij niet direct voor als een feit van algemene bekendheid en behelst dan een feitelijk novum dat niet eerst in cassatie kan worden aangevoerd. Overigens, en hoe dan ook, is de overweging van het hof (onder verwijzing naar de kantonrechter) niet onbegrijpelijk, zelfs niet als met de steller van de klacht wordt aangenomen dat de bedoelde praktijk “doorgaans” zo is dat er wel geld is om loon te betalen, maar niet ook om (belastingen en) pensioenpremies af te dragen. Dit laat immers onverlet, nog daargelaten dat er (dus) gevallen zullen zijn waarin de praktijk een andere is, dat waar het lichaam niet in staat is zulke pensioenpremies te betalen aan het pensioenfonds ondanks gehoudenheid daartoe, het pensioenfonds er belang bij heeft daarover tijdig afdoende duidelijkheid te verkrijgen, waaraan logischerwijs niet afdoet dat het lichaam met die premies corresponderende bedragen niet in geld voorhanden heeft. Daarop loopt de klacht vast.
Tot slot de klacht
onder (iii). Deze veronderstelt dat het hof (onder verwijzing naar de kantonrechter) “strenge eisen” heeft gesteld aan een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Zoals hiervoor al opgemerkt, onder (i), kan een daarop gebaseerde klacht [eiseres] niet baten. Voor zover met de klacht los daarvan bedoeld is te betogen dat die eisen in dit geval
lichtermoeten worden gesteld vanwege de omstandigheid dat, naar de klacht stelt, [A] wel degelijk premie afdroeg zij het aan [C] , etc. (dus in 2010), gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij mede bedacht moet worden dat die omstandigheid niet eraan afdoet dat het in de onderhavige zaak gaat om te onderscheiden en aanzienlijk later door PFZW aan [A] verzonden facturen waarbij voornoemde belang van PFZW als pensioenfonds aan de orde was. In het licht daarvan brengt hetgeen de klacht aanvoert evenmin mee dat ’s hofs bestreden overweging nadere motivering behoefde. Daarop loop de klacht vast.
Hierop stuit het subonderdeel af.
De beslissing van het hof dat de brief van mr. Stassen van 26 oktober 2012 ter zake niet is aan te merken als “een rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht” scharniert in de kern erom dat PFZW, gegeven ook de inhoud van die brief, ervan mocht uitgaan dat [A] na die brief ook jegens PFZW weer aan haar lopende verplichtingen zou voldoen, en wel met inbegrip van de bedragen die zij verschuldigd zou worden uit hoofde van de (nog op te leggen) navorderingen. Dit steunt mede op ’s hofs oordeel in rov. 3.10, slotzin dat, gelet op het daaraan voorafgaande, de aankondiging in de brief van mr. Stassen dat “de toekomstperspectieven zodanig [zijn] dat [A] vanaf 1 november 2012 haar lopende verplichtingen binnen de normale geldende betalingstermijnen kan voldoen” en dat “dit (…) ook [wordt] bevestigd door de accountant”, zonder dat daarbij een voorbehoud zijdens [A] is gemaakt voor nog op te leggen navorderingen, door PFZW redelijkerwijs niet aldus begrepen behoefde te worden dat [A] niet (tevens) in staat zou zijn om de bedragen die zij verschuldigd zou worden uit hoofde van de navorderingen aan PFZW te voldoen. Dat daaraan voorafgaande slaat terug op ‘s hofs overwegingen in rov. 3.10, kort gezegd, dat ten tijde van het versturen van die brief [A] en haar bestuurder [eiseres] erop bedacht moesten zijn dat PFZW na de betalingsregeling niet zou volstaan met het opleggen van vergelijkbare maandfacturen (dat er nog navorderingen zouden volgen), dat PFZW redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat [A] daarmee rekening zou houden, en dat hieraan niet afdoet dat ten tijde van dat schrijven van mr. Stassen de hoogte van die nog te volgen navorderingen onbekend was. Is dit - door het subonderdeel bestreden - oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd, dan valt daarmee ook de bodem weg onder die beslissing, nu deze mede steunt op dat oordeel. [123] In wezen gaat het hier om de vraag hoe de brief van mr. Stassen moet worden uitgelegd. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer zoals neergelegd in de art. 3:33 en Pro 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang (gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen) en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de brief gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt. [124] Door [eiseres] is onder meer erop gewezen [125] dat, naar blijkt uit die brief (geciteerd in rov. 2.5), en PFZW dus wist, [A] afhankelijk was van externe financiering (door een van de aandeelhouders) om aan haar schuldeisers (preferent en concurrent) een voorstel te kunnen doen dat neerkwam op betaling van een bedrag van 25% van hun vordering (welke schulden per 21 oktober 2012 in totaal € 534.916,85 bedroegen) tegen finale kwijting in het kader van een crediteurenakkoord, wat insluit dat die schulden van meer dan € een half miljoen door [A] niet kon worden voldaan uit de beschikbare middelen en dat er slechts beperkte (externe) financiering was betreffende een voorstel voor een akkoord. [126] M.i. valt niet vol te houden dat dit - neerkomend op het kenbaar slechts kunnen voorstellen door [A] van dit crediteurenakkoord voor deze schuldenlast bij de gratie van externe financiering, zonder uitzicht op beschikbaarheid voor [A] van enige verdergaande financiering - niet in (mede) bepalende mate relevant zou kunnen zijn bij beantwoording van de voorliggende vraag of PFZW voornoemde aankondiging in die brief, gelet op alle omstandigheden van het geval en kort gezegd, redelijkerwijs aldus mocht begrijpen als in te houden dat [A] tevens in staat zou zijn om de bedragen die zij verschuldigd zou worden uit hoofde van de (nog op te leggen) navorderingen, waarvan de hoogte ten tijde van die brief dus nog helemaal niet bekend was, [127] aan PFZW te voldoen. Zonder toelichting, die in rov. 3.10 ontbreekt, is niet duidelijk dat het hof dit betrekt (waartoe wel aanleiding bestond) en, zo ja, waarom dit dan niet zou afdoen aan de bereikte conclusie (rov. 3.9 en 3.11 maken dat niet anders). Dat PFZW redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat [A] rekening zou houden met navorderingen (op welke navorderingen [A] en [eiseres] bedacht moesten zijn) [128] en dat die brief geen voorbehoud bevat voor zulke navorderingen, zoals het hof opmerkt, ziet op iets anders en vormt daarvoor, althans zonder meer, geen afdoende verklaring. De verwijzing door het hof naar de geciteerde woorden “de toekomstperspectieven zodanig [zijn]”, etc. uit de brief neemt die lacune niet weg, reeds omdat dit slechts woorden zijn uit een breder citaat waaraan het hof verder geen specifiek daarop toegesneden toelichting wijdt en de conclusie in die slotzin wat betreft dat citaat en hetgeen PFZW daaruit mocht opmaken alleen (kenbaar) berust op dat door het hof opgemerkte. Kort en goed: ik meen dat het hof, in de door hem in rov. 3.10 gekozen benadering en mede gelet op hetgeen hij daarbij wel navolgbaar betrekt in zijn gedachtegang, dit een en ander niet zo buiten (kenbare) beschouwing mocht laten.
Een en ander klemt temeer waar het hof evenmin navolgbaar betrekt in rov. 3.10, op welke hier eveneens relevant te achten omstandigheid door [eiseres] ook is gewezen, [129] dat PFZW zelf ten tijde van die brief (want in oktober/november 2012) nog mede doende was met een door [A] betaald onderzoek bij haar met het oog op de bepaling door PFZW van de hoogte van de door [A] nog verschuldigde premies, waaruit eerst een zeer grote betalingsachterstand bleek en waarbij te bedenken valt dat [A] voordien al gedurende langere tijd, en ondanks herhaald rappel van PFZW, niet in staat was gebleken tot het aanleveren van de correcte gegevens ter bepaling van de premieheffing. [130] In dit licht - neerkomend op een kenbaar gebrek aan grip bij [A] ten tijde van die brief op die gegevens - moet ook worden bezien de discussie ter comparitie in hoger beroep waarbij door [eiseres] onder meer is bevestigd dat ten tijde van die brief men zijdens [A] niet door had dat de factuur van PFZW van 24 december 2012 er nog aan kwam (wat ging over alle periodes daarvoor) [131] en, [132] wat betreft die factuur, dat [A] de benodigde administratie niet had, dat [A] niet kon narekenen wat het had moeten zijn, en dat PFZW dat onderzoek heeft gedaan. [133] Het voorgaande (omtrent, kort gezegd, relevantie bij beantwoording van de voorliggende vraag en ’s hofs motivering ter zake in rov. 3.10) geldt hier evenzeer, dat behoeft geen herhaling. Daaraan doet logischerwijs niet af zijn enkele verwijzing naar dat onderzoek in rov. 3.7 of overweging in rov. 3.20, wat ook in een andere context is opgemerkt dan die van rov. 3.10. Overigens verdient nog opmerking dat, waar [eiseres] ter comparitie is ingegaan op de problematiek inzake [C] (kort gezegd: dat dit payrollbedrijf, zonder dat [A] dit wist, destijds door [A] aan haar betaalde loonheffingen niet heeft afgedragen), [134] dit aansluit op hetgeen in de memorie van grieven is vooropgesteld (direct voorafgaand aan de grieven) over de achtergrond van de problemen van [A] , wat nadrukkelijk ook is genoemd in het kader van de brief van mr. Stassen. [135] Daarmee is ‘s hofs bestreden oordeel in rov. 3.10, waarin hij aldus ‘te kort door de bocht’ (ten faveure van PFZW) redeneert, hoe dan ook niet toereikend gemotiveerd te achten en wordt daarover terecht geklaagd zijdens [eiseres] .
Kortom, het subonderdeel treft doel.
Uit de parlementaire geschiedenis, de rechtspraak en de literatuur blijkt, kort gezegd, dat in beginsel op de aangesproken bestuurder de stelplicht en bewijslast rusten dat hij een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 heeft gedaan, [136] , [137] wat ook moet worden bezien in het licht van de systematiek van de (bestuurdersaansprakelijkheids)regelingen in art. 23 leden Pro 3-4 Wet Bpf 2000 en de daaraan inherente regimeverschillen (zie onder 3.2 hiervoor). Waar het gaat om [eiseres] beroep op de e-mail van [betrokkene 1] als zo’n melding zijdens [A] , welke vennootschap (indirect) door haar werd bestuurd, berusten aldus de stelplicht en - gegeven de gemotiveerde betwisting van PFZW - de bewijslast ter zake in beginsel bij [eiseres] .
Van belang is dan art. 3:37 lid 3 BW Pro, waarop rov. 3.13-3.15 zich toespitst. Art. 3:37 lid Pro 3, eerste zin BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Voor de toepassing van deze bepaling op schriftelijke verklaringen, zoals e-mails, heeft de Hoge Raad enige handreikingen gegeven: [138]
Hierop stuit het subonderdeel af.
subonderdeel 4.9is gekant tegen het oordeel van het hof in rov. 3.13-3.15 over de e-mail van [betrokkene 1] van 14 februari 2013. Als het hof de bewijslastverdeling niet heeft miskend, heeft het te hoge eisen gesteld aan de betwisting door [eiseres] van het niet ontvangen van de e-mail door PFZW alsmede het niet in de risicosfeer van PFZW liggen daarvan, althans zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel voert in dit verband een aantal omstandigheden aan en beroept zich op de “algemene ervaring” dat een aan een bepaald e-mailadres gezonden e-mail dat adres doorgaans bereikt, althans dat de afzender bericht ontvangt wanneer dit niet zo is. Het neemt (uiteindelijk) de stellingname in dat niet valt in te zien wat [eiseres] nog meer moest of kon aanvoeren ter betwisting van het niet ontvangen van de e-mail door PFZW. Voorts betoogt het subonderdeel (in de tweede alinea) dat het hof, voor zover het heeft aangenomen dat [betrokkene 1] een melding heeft ontvangen dat de e-mail niet was aangekomen, van die aanname blijk had moeten geven om zijn oordeel inzichtelijk te doen zijn en dat, bovendien, een dergelijke aanname niet (zonder meer) begrijpelijk zou zijn gelet op [eiseres] standpunt dat de melding door [betrokkene 1] moet zijn ontvangen en haar aanbod om [betrokkene 1] als getuige te horen.
Het subonderdeel loopt reeds vast op de onjuiste aanname dat het hof “de bewijslastverdeling niet heeft miskend”, dus is uitgegaan van de door [eiseres] in subonderdeel 4.8 voorgestane verdeling van stelplicht en bewijslast. Zoals daar uiteengezet (zie onder 3.22 hiervoor), gaat het hof in rov. 3.13-3.15 van het arrest - terecht - niet uit van die door [eiseres] voorgestane verdeling van stelplicht en bewijslast. Ten overvloede merk ik het volgende nog op.
Het hof laat in het midden of de e-mail van [betrokkene 1] is verzonden (factor (i)). [141] Tussen partijen is niet in debat dat PFZW kon worden bereikt op het adres waaraan de e-mail is gericht, te weten “lamr@pfzw.nl” (factor (ii)). [142] Het hof spitst zich toe op de beoordeling van factor (iii), beginnend met de vraag, kort gezegd, of [eiseres] , gelet op het partijdebat, voldoende (onderbouwd) feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de e-mail is aangekomen bij PFZW, welke vraag het hof ontkennend beantwoordt. Dat het hof daarbij de lat voor [eiseres] te hoog zou hebben gelegd, valt niet in te zien gelet ook op het navolgende, en daarover wordt door [eiseres] in het subonderdeel dus ook niet geklaagd.
De meeste stellingen van [eiseres] waarnaar het subonderdeel verwijst, betrekt en verwerpt het hof in zijn overwegingen, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door PFZW.
De vijfde stelling waaraan het subonderdeel refereert, omtrent de zogenaamde “betwisting van ontvangst ‘bij gebrek aan wetenschap’ omdat men het bericht nu niet kan vinden”, komt neer op niet meer dan de gevolgtrekking in de pleitaantekeningen voor de comparitie in hoger beroep zijdens [eiseres] die het hof volgens haar op basis van die pleitaantekeningen zou moeten maken (dat “is geen overtuigende weerlegging”). [151] De stelling duidt niet op andere of verdere feiten en omstandigheden waarop het hof in verdergaande mate had te responderen dan het doet in rov. 3.13-3.15. Ook op dit punt zijn ’s hofs oordelen onjuist noch onbegrijpelijk.
Wat het subonderdeel - zonder verwijzing naar een stellingname van [eiseres] ter zake - nog opmerkt over de algemene ervaringsregel dat verzonden e-mails hun bestemming plegen te bereiken, althans dat een bericht volgt wanneer ze niet aankomen, doet aan ’s hofs oordelen geen afbreuk, nu het hof, bij de in rov. 3.13-3.15 gegeven stand van zaken, en gelet op het voorgaande, daarop niet nog weer nader behoefde in te gaan. Ook op dit punt zijn ’s hofs overwegingen onjuist noch onbegrijpelijk.
Ten slotte kan ook de tweede alinea van het subonderdeel [eiseres] hier niet baten, nu het hof niet aanneemt, ook niet impliciet, “dat [betrokkene 1] een melding heeft ontvangen dat de e-mail niet was aangekomen”, en het subonderdeel hier dus uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist.
De slotsom is dan dat, waar door [eiseres] verder geen stellingen ter zake zijn aangevoerd (het subonderdeel wijst daarop in ieder geval niet), het hof zonder schending van enige rechtsregel of nadere motivering kon oordelen zoals het doet dat [eiseres] , gelet op het partijdebat, onvoldoende (onderbouwd) feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de e-mail is aangekomen bij PFZW.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Vooropgesteld zij dat [eiseres] geen belang heeft bij deze klacht, omdat [eiseres] hoe dan ook niet zou (zijn) toe(ge)komen aan het leveren van bewijs inzake de ontvangst van de e-mail van [betrokkene 1] door PFZW, nu, kort gezegd, naar ’s hofs in cassatie niet met vrucht bestreden oordeel in rov. 3.13-3.15 van het arrest [eiseres] ter zake niet aan haar stelplicht heeft voldaan, waar ook de bewijslast op haar rustte (zie onder 3.22 en 3.24 hiervoor). Ten overvloede merk ik het volgende nog op.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 4.8, dat faalt (zie onder 3.22 hiervoor), deelt het in het lot daarvan. Voor zover het subonderdeel betoogt dat ’s hofs uitleg in rov. 3.15 van het onderhavige bewijsaanbod van [eiseres] als een aanbod tot het leveren van bewijs (niet tegenbewijs) onbegrijpelijk is, loopt het erop vast dat het hof dit, gelet ook op de verhandeling ter comparitie in hoger beroep blijkens het proces-verbaal daarvan, alleszins zo kon opvatten, nu uit niets blijkt dat [eiseres] daarmee (slechts) het oog had op het leveren van tegenbewijs. [152] Voor zover het subonderdeel betoogt dat ’s hofs uitleg in rov. 3.15 van dit bewijsaanbod als betrekking hebbend op de stelling van [eiseres] dat [betrokkene 1] de e-mail daadwerkelijk verzonden heeft (niet mede op de ontvangst van haar e-mail door PFZW) onbegrijpelijk is, loopt het eveneens erop vast dat het hof dit, gelet ook op de verhandeling ter comparitie in hoger beroep blijkens het proces-verbaal daarvan, zo kon opvatten, nu het ter zake zijdens [eiseres] opgemerkte in de sleutel stond van de verzending (het verstuurd zijn) van die e-mail [153] en (ook) door PFZW kennelijk zo is opgevat, [154] terwijl [eiseres] , ondanks het late stadium waarin dit bewijsaanbod werd gedaan, bij het aanbod om [betrokkene 1] als getuige op te roepen niet duidelijk heeft gemaakt op welke van haar stellingen dit betrekking had. [155] Wat het subonderdeel daartegenin brengt, maakt dat niet anders.
Gelet daarop kon het hof in rov. 3.26 ook oordelen voorbij te gaan aan dit bewijsaanbod van [eiseres] , omdat het daarmee te bewijzen aangebodene niet tot een andere conclusie kan leiden.
Hierop stuit het subonderdeel af.
De bestuurdersaansprakelijkheid van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 betreft, kort gezegd, door een lichaam verschuldigde “bijdragen” ter zake van deelneming in een pensioenfonds die niet zijn betaald. Zoals het hof in rov. 3.22 van het arrest - in cassatie onbestreden - oordeelt, omvatten bedoelde bijdragen niet alleen de verschuldigde pensioenpremies, maar tevens eventuele renten en boetes (verhoging). [156] In overeenstemming hiermee bepaalt art. 21 lid 3 onder Pro d Wet Bpf 2000 (van overeenkomstige toepassing op het dwangbevel uitgevaardigd aan de bestuurder ingevolge art. 23 lid 12 Wet Pro Bpf 2000) dat het dwangbevel inhoudt “het bedrag van de achterstallige bijdragen, dat van wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten, voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt en de aanmaningskosten voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden waarop de vordering berust”. [157] In art. 21 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 is verder bepaald dat het dwangbevel een executoriale titel oplevert, die met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
Het aan [eiseres] uitgevaardigde dwangbevel bepaalt dat [eiseres] , naast de hoofdsom en een reglementaire boete, verschuldigd is “de tot aan de datum van het dwangbevel berekende en krachtens het reglement verschuldigde wettelijke rente” (van een bedrag van € 154.483,86) alsmede “de wettelijke rente berekend vanaf de datum van dit dwangbevel tot aan de dag van voldoening” (opgenomen als “p.m.”, pro memorie, oftewel nader te berekenen). [158] In hoger beroep heeft PFZW een nieuwe berekening overgelegd, op grond waarvan € 362.049,52 aan wettelijke rente is verschuldigd, welke nieuwe renteberekening aldus het hof in rov. 3.23 - in zoverre in cassatie onbestreden - niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken door [eiseres] . Volgens de - in zoverre niet door [eiseres] betwiste - stellingen van PFZW gaat het om een ten opzichte van het dwangbevel geactualiseerde berekening, en wel t/m 6 mei 2019. [159] Naar het hof in rov. 3.24 - in zoverre in cassatie onbestreden - vaststelt, is het resterende bedrag met de actueel berekende rente hoger dan de totaalsom die op het dwangbevel staat vermeld.
In het onderhavige geval zijn de in het dwangbevel genoemde posten (kort gezegd: de hoofdsom, de rente en de boete) dezelfde als de posten waarvan het hof vaststelt dat PFZW daarop aanspraak maakt. Slechts de bedragen behorende bij die(zelfde) posten verschillen. Op de hoofdsom is het door [A] reeds betaalde in mindering gebracht, terwijl de rente mettertijd is aangegroeid. In wezen stelt het onderdeel dus de vraag aan de orde of, al zijn de in het dwangbevel genoemde posten dezelfde als de posten waarvan het hof vaststelt dat PFZW daarop aanspraak maakt, de in het dwangbevel genoemde bedragen bij die posten dezelfde moeten zijn als de bedragen bij die posten waarop het pensioenfonds uiteindelijk, op het moment van beoordeling van het verzet tegen het dwangbevel, aanspraak maakt.
Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Uit het (op grond van art. 21 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 toepasselijke) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt niet de regel dat de precieze bedragen op een bij de wet als executoriale titel aangewezen stuk vermeld (en aldus gefixeerd) zijn. [160] Het gaat erom dat de posten worden vermeld waartoe de titel strekt en dat, voor zover geen bedragen zijn vermeld, is aangegeven langs welke weg de grootte van het verschuldigde bedrag bindend kan worden vastgesteld. [161] In overeenstemming hiermee kan in het dictum van veroordelende vonnissen of arresten - die een executoriale titel opleveren in de zin van art. 430 Rv Pro - wel de frase worden aangetroffen dat het bedrag waartoe de veroordeling strekt moet worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf een bepaalde datum. [162] Het bedrag van de rente is (en kan) niet gespecificeerd (worden). Eerst wanneer de rente verschijnt, kan de executoriale titel ten uitvoer worden gelegd. [163] Een hiermee overeenstemmende, redelijke en op de praktijk gerichte uitleg van art. 21 Wet Pro Bpf 2000 brengt mee dat het dwangbevel de posten waarvoor het is uitgevaardigd moet vermelden, de bedragen van die posten voor zover die bekend zijn en de wijze waarop nog niet bekende bedragen kunnen worden berekend. Op die manier verkrijgt het lichaam of de bestuurder aan wie het dwangbevel is uitgevaardigd, het - door art. 21 lid 3 onder Pro d Wet Bpf 2000 kennelijk beoogde - inzicht in de opbouw en omvang van de door hem verschuldigde bedragen. [164] Wat de rente betreft, betekent dit dat de ingangsdatum en de hoogte daarvan moeten worden aangegeven. [165] Het hof miskent een en ander niet, waar het beslist (in rov. 3.23 en 3.24), kort gezegd, de nieuwe renteberekening over te nemen, het door [eiseres] verschuldigde dienovereenkomstig vast te stellen en het dwangbevel in stand te laten.
Hierop stuit het onderdeel af.