Conclusie
Wet Bpf 2000). Verweerder in cassatie is in eerste aanleg wel (op de voet van art. 23 Wet Pro Bpf 2000) en in hoger beroep niet (ook niet op de voet van art. 23 Wet Pro Bpf 2000) persoonlijk aansprakelijk gehouden jegens eiseres in cassatie. Het cassatieberoep van laatstgenoemde richt diverse pijlen op het bestreden arrest. M.i. kan dat in stand blijven.
1.De feiten
PFZW) is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. [A] B.V. (hierna:
B.V.) was een (verplicht) bij PFZW aangesloten organisatie. Daarom was [A] B.V. verplicht bij haar werknemers ingehouden pensioenpremie af te dragen aan PFZW.
[verweerder]) heeft vanaf 2008 op interimbasis managementactiviteiten verricht voor [A] B.V. Vanaf 17 juli 2008 was [verweerder] statutair bestuurder van [A] B.V. Bij brief van 15 september 2008 heeft [verweerder] (als "bestuurder a.i." van [A] B.V.) aan PFZW geschreven:
activa-overeenkomst). Deze activa-overeenkomst had terugwerkende kracht tot 29 december 2008. Door de activa-overeenkomst zijn de activa van [A] B.V. verkocht en overgedragen aan Stichting [B] . Van de 569 werknemers van [A] B.V. zijn er 548 in dienst gekomen bij Stichting [B] . De activa-overeenkomst en de feitelijke uitvoering daarvan resulteren in een overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 en Pro 7:663 BW, per 29 december 2008.
€318.105,-- niet betaald kunnen worden.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
primairvan een bedrag van € 669.856,43;
subsidiairvan een bedrag van € 487.847,10, alsmede van het bedrag van de totale premieachterstand dat niet is overgegaan op [B] ;
primair en subsidiair: van de proceskosten (de nakosten daaronder begrepen) alsmede wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) althans wettelijke rente (art. 6:119 BW Pro) over de verschuldigde bedragen. PFZW heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [A] B.V. verschuldigde bedragen aan PFZW op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 althans onrechtmatige daad.
rechtbank) een vordering ex art. 843a Rv van PFZW afgewezen.
arrest) heeft het hof het eindvonnis van 14 november 2018 van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, kort gezegd: de vorderingen van PFZW afgewezen; PFZW veroordeeld aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 117.731,99, te vermeerderen met wettelijke rente; PFZW veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg, in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep; en het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [6] Daartoe heeft het hof onder meer overwogen: [7]
principale grieven 2a en 2bbetoogt [verweerder] dat het recht van PZW om hem op grond van art. 23 Wet Pro Bpf aansprakelijk te houden is vervallen (art. 7:663, tweede volzin BW) en verjaard (art. 3:308 BW Pro). Het hof overweegt als volgt.
principale grieven 3 tot en met 9is aangevoerd.
principale grieven 10 en 12en evenmin bij de
incidentele grief. Deze grieven zijn slechts van belang als de aansprakelijkheid van [verweerder] zou vaststaan.
Principale grief 13slaagt. Het hof ziet aanleiding de kosten van het incidenteel hoger beroep op een half punt te stellen vanwege de zeer beperkte omvang van het debat. De vordering van [verweerder] tot restitutie van het door hem ter uitvoering van het vonnis aan PZW betaalde zal worden toegewezen. Het bedrag en de ingangsdatum van de wettelijke rente zijn niet betwist. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.”
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Besluit). [9] Indien het lichaam aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de genoemde bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de melding (art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 in verbinding met art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000). De stelplicht en bewijslast ter zake rusten dan in beginsel op het pensioenfonds. [10] Indien het lichaam niet aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is; tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan de genoemde verplichting heeft voldaan (art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000). Dit laatste vormt dan een extra drempel voor de bestuurder. [11] Art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000, met het daaraan inherente (mogelijk weerlegbare) aansprakelijkheidsvermoeden, is dus streng voor de bestuurder. Het voorgaande biedt geen volledig beeld, maar de hoofdlijn van de wettelijke systematiek in de genoemde bepalingen, waarbij geldt dat gaandeweg in de rechtspraak nuanceringen zijn aangebracht (zie ook onder 3.5-3.6 hierna).
Het is goed om hier voor ogen te houden dat art. 23 Wet Pro Bpf 2000 grote gelijkenissen vertoont met art. 36 Invorderingswet Pro 1990 (hierna: de “
Iw 1990”), waarin de aansprakelijkheid van bestuurders ingeval van onbetaald gebleven belastingschulden is neergelegd. Art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 legt eveneens een meldingsplicht op (de bestuurder van) het lichaam dat, kort gezegd, in betalingsonmacht verkeert en kent eveneens de mogelijkheid dat de ontvanger het lichaam verzoekt om nadere inlichtingen te verstrekken en/of om stukken over te leggen, vergelijkbaar met art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Art. 36 lid 3 Iw Pro 1990 geeft een met art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 vergelijkbare (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling, gelijk art. 36 lid 4 Iw Pro 1990 dat doet in verhouding tot art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000. [12] De overeenkomst tussen beide bepalingen is terug te voeren op hun gemeenschappelijke herkomst. Beide bepalingen zijn (in hun huidige vorm) ingevoerd met de in 1987 in werking getreden Wet Bestuurdersaansprakelijkheid. [13] Deze wet, die ook wel bekendstaat als de tweede misbruikwet, introduceerde een hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van commerciële “lichamen” voor door die lichamen onbetaald gelaten premie- en belastingschulden, voor zover dat niet-betalen het aannemelijke gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De wet bracht daartoe wijzigingen aan in onder andere de Wet Bpf 1949 (thans: de Wet Bpf 2000), enkele belastingwetten (thans samengebracht in de Iw 1990) en in enkele socialeverzekeringswetten (onder meer in de Werkloosheidswet). [14] De inhoud van de aansprakelijkheidsbepalingen in deze wetten was (en is) nagenoeg gelijk. In het bijzonder komt, voor zover hier relevant, art. 23 Wet Pro Bpf 2000 in hoge mate overeen met art. 36 Iw Pro 1990. Mede gelet op hun gelijkenis ligt een onderlinge afstemming waar mogelijk en aangewezen van de regeling voor onbetaalde pensioenbijdragen (in art. 23 Wet Pro Bpf 2000) en de regeling voor onbetaalde belastingschulden (in art. 36 Iw Pro 1990) in de rede, welk uitgangspunt ook aansluit op de rechtspraak [15] en de literatuur. [16] In de onderhavige zaak draait het debat in cassatie in hoofdzaak om twee punten. De vraag is allereerst of met het vervallen van de aansprakelijkheid van [A] B.V. als gevolg van de overgang van haar onderneming naar [B] ook het recht van PFZW om bestuurder [verweerder] op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 aansprakelijk te doen houden is vervallen (onderdeel 1). Daarnaast speelt de vraag, kort gezegd, of [verweerder] als bestuurder van [A] B.V. in strijd heeft gehandeld met de meldingsplicht van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 en deswege hoofdelijk aansprakelijk is op grond van die bepaling (onderdeel 2). Het hof beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. Ik zie aanleiding te beginnen met onderdeel 2, nu dat m.i. dient te falen en daarmee gegeven is dat het arrest in stand kan blijven, daar het hof met het door onderdeel 2 (dus zonder vrucht) bestreden oordeel een zelfstandig dragende basis geeft aan de conclusie dat [verweerder] niet aansprakelijk is op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 (zie ook rov. 13 van het arrest). De lotgevallen van onderdeel 1 - waarop ik volledigheidshalve wel in ga - doen daaraan niet af, net zo min als de voortbouwklacht in onderdeel 3 die, gegeven het falen van onderdeel 2, PFZW evenmin soelaas biedt.
Dit brengt in de eerste plaats mee dat het enkele feit dat een pensioenfonds op de hoogte is geraakt van een ernstig betalingsprobleem van een vennootschap niet heeft te gelden als een geldige melding van betalingsonmacht, althans niet maakt dat de betreffende vennootschap is ontslagen van haar meldingsplicht ingevolge art. 23 Wet Pro Bpf 2000. In de tweede plaats kan ook een gesloten betalingsregeling als zodanig niet gelden als zo’n melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 Wet Pro Bpf 2000, omdat aan een dergelijke regeling juist ten grondslag ligt dat de betaling van de premies zal worden voortgezet, zij het conform de gesloten betalingsregeling.
Anders gezegd, aldus nog steeds het subonderdeel: het hof miskent dat noch het feit dat een bedrijfstakpensioenfonds op de hoogte is van (ernstige) betalingsproblemen van een vennootschap, noch het feit dat een bedrijfstakpensioenfonds een betalingsregeling heeft getroffen met een vennootschap, (de bestuurder van) die vennootschap ontslaat van de verplichting tot het doen van een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 die voldoet aan de eis dat deze ook inzage biedt in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de pensioenbijdrages niet kunnen worden betaald.
Verder bestrijdt het subonderdeel met een motiveringsklacht (onder 26) de vierde zin van rov. 12.1 van het arrest, voor zover het hof daarin beslist dat PFZW eind mei 2008 in ieder geval op hoofdlijnen geweten moet hebben waarom [A] B.V. een betalingsprobleem had. Volgens het subonderdeel is dit oordeel klaarblijkelijk uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat sprake was van (i) een onbetaalde factuur (ii) waarvoor de voorganger van [verweerder] een betalingsregeling had getroffen, terwijl die omstandigheden niets zeggen over de redenen waarom de achterstand is ontstaan. Met de enkele verwijzing naar die twee omstandigheden motiveert het hof zijn evenbedoelde beslissing onvoldoende of ontoereikend, temeer nu PFZW bij memorie van antwoord heeft betwist dat eind mei 2008 door de voorganger van [verweerder] enige duidelijkheid zou zijn verschaft over de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdragen niet konden worden betaald.
Het subonderdeel richt voorts een rechtsklacht (onder 27) tegen rov. 12.1 van het arrest, voor zover de beslissing daarin aldus moet worden verstaan dat volgens het hof reeds is voldaan aan het door art. 2 lid 3 Besluit Pro gestelde vereiste dat de daar bedoelde mededeling zodanig moet zijn dat daarmee “inzicht wordt gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald” wanneer deze melding op hoofdlijnen duidelijk maakt waarom sprake is van een betalingsprobleem. Met dit oordeel brengt het hof ten onrechte een beperking aan in de informatieplicht die art. 2 lid 3 Besluit Pro met zich brengt, die in die bepaling niet te lezen is. Art. 2 lid 3 Besluit Pro impliceert een ruimere informatieverplichting, die niet tot enkel de hoofdlijnen beperkt is.
Het subonderdeel is ten slotte gekant, met een rechtsklacht (onder 28), tegen de laatste vier zinnen van rov. 12.1 van het arrest, voor zover die aldus moeten worden begrepen dat het hof oordeelt dat nu tussen PFZW en [A] B.V. een betalingsregeling is getroffen terzake van achterstallige premiebijdragen, op PFZW de stelplicht en bewijslast is komen te rusten van het feit dat niet tijdig een correcte mededeling van betalingsonmacht is gedaan die voldoet aan de door art. 2 lid 3 Besluit Pro gestelde eis dat die melding ook verduidelijkt welke omstandigheden ertoe hebben geleid dat de premiebijdragen niet konden worden betaald.
2. De mededeling ter zake van een bijdrage, die is vastgesteld vanwege de omstandigheid dat ten onrechte geen bijdrage is vastgesteld dan wel dat na de vaststelling van de bijdrage blijkt, dat een lagere bijdrage is vastgesteld dan is verschuldigd, wordt schriftelijk gedaan uiterlijk veertien kalenderdagen nadat die bijdrage behoorde te zijn voldaan.
3. Het bedrijfstakpensioenfonds kan afschrift nemen en uittreksels maken van de boeken, bescheiden en andere informatiedragers, die ter inzage worden verstrekt. Ter zake verleent het lichaam de medewerking die door het bedrijfstakpensioenfonds wordt verlangd.” [19]
In 1991 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad een gelijkluidende bepaling in het (destijds geldende) Uitvoeringsbesluit LB 1965 onverbindend verklaard, nu, kort gezegd, het schriftelijkheidsvereiste in die bepaling niet kon steunen op de (destijds geldende) delegatiebepaling van art. 32a lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964. [20] De belastingkamer heeft er in dit verband mede op gewezen dat de wetgever van 1986 een beperking heeft aangebracht in de in de wet gegeven bevoegdheid tot stellen van nadere regels, nadat de Raad van State had geadviseerd om een beperking op te nemen. [21] De Centrale Raad van Beroep heeft een jaar later om dezelfde redenen en “wegens de directe en volledige samenhang tussen de fiscale en sociaal-verzekeringsrechtelijke elementen” geoordeeld dat de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen niet-schriftelijk kon worden gedaan. Hij achtte het toepasselijke Koninklijk Besluit onverbindend voor zover het de eis van schriftelijkheid stelde. [22] In reactie op het Hoge Raad-arrest van 1991 heeft de besluitgever het fiscale schriftelijkheidsvereiste enige jaren daarna laten vervallen. [23] De fiscale delegatiebepaling zoals die destijds gold, stemt overeen met de delegatiebepaling in art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. [24] Het ter zake volgen van de (staatsrechtelijke) redenering die de belastingkamer van de Hoge Raad aan het arrest van 1991 ten grondslag legt, voert ertoe dat ook art. 2 lid 1 Besluit Pro onverbindend is voor zover, kort gezegd, het een
schriftelijkemelding (“mededeling”) van betalingsonmacht eist, wat betekent dat de wijze van melden van betalingsonmacht op de voet van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 vormvrij is zodat voor doeleinden van die meldingsplicht van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 een niet-schriftelijke (mondelinge) melding ook kan volstaan als overigens aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan. [25] , [26] Ik bepleit dit aan te houden, maar in temporeel begrensde zin.
Vooropgesteld zij dat er goede grond bestaat om de regeling voor pensioenschulden in art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waar mogelijk en aangewezen, af te stemmen op de regeling voor belastingschulden in art. 36 Iw Pro 1990 (zie onder 3.2 hiervoor). In dit licht is van belang dat de wil van de wetgever zelf er al geruime kenbaar toe strekt wat betreft, kort gezegd, de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht een schriftelijkheidsvereiste te hanteren. Weliswaar heeft, zoals gezegd, de besluitgever in reactie op het Hoge Raad-arrest van 1991 het fiscale schriftelijkheidsvereiste ter zake enige jaren daarna laten vervallen, [27] maar nadien is dat vereiste weer ingevoerd, door tussenkomst van de wetgever. Sinds (4 juli) 2010 is het schriftelijkheidsvereiste verankerd in art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 en opgenomen in art. 36.5.1 Leidraad Invordering 2008. [28] De wetgever hecht nadrukkelijk waarde aan het schriftelijkheidsvereiste ter zake, zo blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de wetswijziging, die hierover helder is: [29]
In de Nota van toelichting op het Besluit is onder meer opgemerkt: [37]
1. Inleiding
In de rechtspraak inzake art. 23 Wet Pro Bpf 2000 keert de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000, dus - in essentie - tijdig en correct gedaan, regelmatig terug. Deze rechtspraak laat zien dat feitenrechters betrekkelijk strikt de hand plegen te houden aan zo’n melding (conform ook het Besluit) zijdens het lichaam, waarbij, kort gezegd, mede sprake dient te zijn van een zodanig expliciet bericht [40] aan het pensioenfonds dat het voor haar afdoende duidelijk is, aldus dat zij daarmee weet of moet weten (redelijkerwijze behoort te begrijpen), dat het lichaam niet in staat is (of zal zijn) tot betaling van bepaalde bijdragen en wat de omstandigheden zijn die daartoe hebben geleid (op het schriftelijkheidsvereiste ging ik onder 3.5 hiervoor in). [41] Is zo’n melding gedaan, dan behoeft niet opnieuw een zodanige melding te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, (in ieder geval) tenzij het pensioenfonds het lichaam na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. [42] Naar evenwel uit recente rechtspraak wordt opgemaakt, kan, kort gezegd, onder omstandigheden tevens sprake zijn van die wetenschap bij het pensioenfonds van betalingsonmacht van het lichaam uit anderen hoofde dan zo’n melding (“mededeling”), een en ander met in beginsel hetzelfde gevolg. [43] Dit betreft in het bijzonder rov. 12.1-12.2 van het onderhavige arrest van het hof:
Technisch is dat zeker mogelijk. Wat betreft het Hoge Raad-arrest van 13 juli 1994 geldt dat het te dezen gaat om dezelfde parlementaire geschiedenis, die van de wet van 1986 (zie ook onder 3.2 hiervoor). En ook de redenering in het Hoge Raad-arrest van 28 februari 2014 kan naar de melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 worden doorgetrokken; niet alleen wat betreft de koppeling die de belastingkamer van de Hoge Raad wat betreft art. 36 Iw Pro 1990 legt tussen enerzijds de regel dat als eenmaal een tijdige en correcte melding (“mededeling”) van betalingsonmacht aan de ontvanger is gedaan, in beginsel geen nieuwe melding nodig is zolang de achterstand voortduurt, maar ook de overweging dat het vorenstaande (omtrent die doorwerking) evenzeer geldt indien de ontvanger uit anderen hoofde dan een melding van betalingsonmacht op de hoogte raakt van betalingsonmacht van de belastingschuldige, wat impliceert dat de ontvanger ook langs laatstgenoemde weg die wetenschap kan hebben. Eerstgenoemde regel is, in essentie, dus reeds voor de Wet Bpf 2000 aanvaard door de civiele kamer van de Hoge Raad in het arrest van 24 november 2017, in navolging van een arrest van 16 maart 2007 gewezen door de belastingkamer inzake art. 36 Iw Pro 1990. [48] Voor een (daarop aansluitende) gelijktrekking ook bij de tweede regel (en de genoemde implicatie daarvan) spreekt veel, en de met genoemd arrest van 24 november 2017 getrokken lijn staat daaraan ook niet in de weg, noch (het wettelijk systeem van) de Wet Bpf 2000 en het Besluit. Zoals eerder opgemerkt (zie onder 3.2 en 3.5 hiervoor), moet het uitgangspunt zijn, kort gezegd, dat de regeling van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 waar mogelijk en aangewezen wordt afgestemd op de regeling van art. 36 Iw Pro 1990. Dit vertrekpunt doet dus, zoals voornoemde rechtspraak ook laat zien, niet minder opgeld voor art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 en art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Daarmee strookt het om ook bij art. 23 Wet Pro Bpf 2000 te aanvaarden dat aan de meldingsplicht in lid 2 van die bepaling (waar op zich aan de orde, in die zin dat daadwerkelijk een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht moet worden gedaan ten aanzien van bepaalde bijdragen) in beginsel niet verder wordt toegekomen, en dus ook niet aan schending daarvan, als het pensioenfonds gegeven de omstandigheden tijdig (voordat het moment is bereikt waarop zo’n melding hier tardief zou zijn) uit anderen hoofde dan zo’n melding wetenschap heeft - weet of moeten weten (redelijkerwijze behoort te begrijpen) - van betalingsonmacht van het lichaam ten aanzien van de desbetreffende bijdragen, waarvoor zo’n melding derhalve niet noodzakelijk is. [49] , [50] Op het schriftelijkheidsvereiste inzake zo’n melding ben ik in dit verband onder 3.5 hiervoor al ingegaan, waarnaar ik verwijs. Uitgangspunt kan dan zijn dat, als ten aanzien van bepaalde bijdragen aldus schending van die wettelijke meldingsplicht zich niet voordoet, het ontbreken van zo’n melding op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan toepassing van de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 ter zake, [51] te onderscheiden van die van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 welke voor de bestuurder aanmerkelijk strenger is en in beginsel tot diens aansprakelijkheid leidt (zie onder 3.2 en 3.5 hiervoor). Het ligt in de rede, gelet ook op de functie van zo’n melding (waarover ook hierna), dat bij zo’n ‘uit anderen hoofde’-scenario het voor het pensioenfonds aanwezige zicht op die actuele betalingsonmacht van het lichaam op basis van de haar beschikbare informatie dan wel ten minste zodanig dient te zijn dat dit, in termen van duidelijkheid, en in totaliteit bezien, (niet on)vergelijkbaar is met het zicht daarop dat zij zou hebben gehad op basis van informatie verschaft met zo’n melding (dus tijdig en correct gedaan), met inbegrip van inzicht in de omstandigheden die tot de betalingsonmacht hebben geleid, waarover hiervoor. Ik merk daarbij op dat, naar wordt aangenomen, betalingsonmacht van het lichaam (het ‘niet in staat zijn te betalen’ in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000) zich in diverse varianten kan voordoen en niet al te beperkt wordt opgevat, wat ook hier relevant is. [52] Ik merk daarbij ook op dat het bij zo’n ‘uit anderen hoofde’-scenario naar de aard niet hoeft te draaien om één bron(bericht) voor die wetenschap bij het pensioenfonds van betalingsonmacht van het lichaam, waar dat normaaltypisch wel het geval is bij zo’n melding. Als in het concrete geval, kort gezegd, het pensioenfonds uit anderen hoofde die wetenschap van betalingsonmacht van het lichaam heeft, dient het onverkort op straffe van in beginsel-bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 blijven eisen van het daadwerkelijk gedaan zijn van zo’n melding (“mededeling”) in mijn optiek niet langer een afdoende redelijk doel conform hetgeen de wetgever daarmee voor ogen heeft gestaan, nu het pensioenfonds immers ook dan (dus zonder zo’n melding) op een vroegtijdig tijdstip op de hoogte geraakt van de moeilijkheden waarin het lichaam zich bevindt, zodat het pensioenfonds, eventueel met gebruikmaking van de mogelijkheid die het slot van art. 23 lid Pro 2, eerste zin Wet Bpf 2000 biedt (“en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt”, etc.), in staat is zich te beraden op de opstelling die het ten aanzien van het lichaam zal voeren, terwijl dit in de regel ook verband zal houden met eerdere actie van(wege) de bestuurder (al bestaat die dan niet uit zo’n melding). [53] Dat zo’n melding dan ontbreekt moge zo zijn, voor een andere uitkomst - een waarin de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 dan, om die reden, toch zonder meer leidend blijft, met alle gevolgen van dien voor de aangesproken bestuurder - acht ik dit, alles afwegende, onvoldoende draagkrachtig. Deze lijn vindt (dus) ook steun in de recente literatuur, waar mede wordt opgemerkt dat het “zeer voor de hand [ligt] deze “leer” [de “vaste rechtspraak” bij art. 36 lid 2 Iw Pro 1990 “dat een melding betalingsonmacht achterwege kan blijven als de fiscus reeds van de betalingsproblemen op de hoogte is of kan zijn”, A-G] ook toe te passen op de onderhavige bestuurdersaansprakelijkheid voor pensioenpremies.” [54] De argumenten die in de literatuur tegen een dergelijke gelijktrekking zijn aangevoerd, rechtvaardigen deze andere uitkomst m.i. per saldo niet, nog daargelaten dat de Hoge Raad centraal stelt de ratio van deze wettelijke meldingsplicht, die voor art. 36 Iw Pro 1990 en art. 23 Wet Pro Bpf 2000 op hetzelfde neerkomt (waarover hiervoor). Zo is wel opgemerkt dat de verhouding tussen de belastingdienst en de werkgever/bestuurder een andere is dan de verhouding tussen het pensioenfonds en de werkgever/bestuurder: [55]
De kernvraag luidt, om A-G Timmerman te parafraseren, [64] waarom de (bestuurdersaansprakelijkheids)regeling van art. 23 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 altijd in al haar gestrengheid zou moeten worden toegepast. Ook daarbij geldt, zoals hij in ander aansprakelijkheidsverband schreef: “Waarom moeten we streng zijn? Ik ben geen voorstander van strengheid, als er daarvoor geen goede inhoudelijke motieven zijn.” [65] De balans opmakend, bepleit ik dus als antwoord dat de voornoemde lijn van de belastingkamer van de Hoge Raad niet alleen kán worden aangehouden ook in verband met pensioenschulden en art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waardoor deze bepaling in zoverre in de pas zou lopen met het fiscale equivalent (art. 36 Iw Pro 1990), maar tevens de verkieslijke route biedt, met inachtneming van het voorgaande. [66]
In rov. 12.1-12.2 van het arrest komt het hof tot het oordeel dat, gelet op de verkort weergegeven gang van zaken waaruit volgt dat PFZW in de desbetreffende periode - die ligt voor het aantreden van [verweerder] als bestuurder van [A] B.V. [67] - via de toenmalige bestuurder van [A] B.V. en in het kader van mondeling overleg over een betalingsregeling, [68] die ook is getroffen, vanwege hetgeen daarbij expliciet aan de orde is gekomen zijdens [A] B.V. in ieder geval geweten moet hebben dat en op hoofdlijnen waarom [69] [A] B.V. een ernstig betalingsprobleem had waardoor zij niet in staat was tot betaling van met de factuur van 28 maart 2008 verband houdende bijdragen (zie rov. 12.1), [70] ervan uitgegaan moet worden dat PFZW eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. en nadien geen melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 behoefde te worden gedaan zolang nog sprake was van een betalingsachterstand, tenzij PFZW na ontvangst van een betaling schriftelijk zou hebben doen weten betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten (zie rov. 12.2). [71] Daarmee zit het hof op het spoor dat PFZW aldus eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. door een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht via die toenmalige bestuurder bij PFZW in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 in mondelinge vorm, althans dat, als dit niet gezegd zou kunnen worden omdat van zo’n melding rechtens alleen sprake zou zijn als deze in schriftelijke vorm wordt gedaan, PFZW aldus in ieder geval eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. uit anderen hoofde dan zo’n melding (via die toenmalige bestuurder), dit met het daaraan verbonden gevolg zoals weergegeven in rov. 12.2, eerste zin. [72] , [73] Nu de relevante periode dus ruimschoots voor 4 juli 2010 ligt en het schriftelijkheidsvereiste van art. 2 Besluit Pro daarin onverbindend is te achten (zie onder 3.5 hiervoor), is aan die door het hof gestelde voorwaarde voor toepassing van het subsidiaire deel (kort gezegd: wetenschap van betalingsonmacht uit anderen hoofde dan zo’n melding, zie met name onder 3.6 hiervoor) niet voldaan, zodat daaraan verder niet wordt toegekomen, en geldt de primaire lijn dat PFZW aldus eind mei 2008 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van [A] B.V. door een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht via die toenmalige bestuurder bij PFZW in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 in mondelinge vorm. Hierop loopt de rechtsklacht onder 22-25 vast: deze ziet eraan voorbij dat aan de bestreden beslissing van het hof in rov. 12.1-12.2 (in die primaire, toepasselijke lijn) gegeven het voorgaande evident inherent is dat door die toenmalige bestuurder in dat gesprek met PFZW is verteld dat [A] B.V. de desbetreffende bijdragen niet kon betalen en is toegelicht wat de oorzaken daarvan zijn (waarover ook hierna), met welk expliciet bericht zijdens [A] B.V. aan PFZW conform het destijds vigerende art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 en Besluit op afdoende duidelijke wijze melding (“mededeling”) van betalingsonmacht is gedaan, zodat het hof niet miskent dat dit laatste van [A] B.V. ook mocht worden verlangd in het kader van zo’n melding (waarvan het hof hier dus uitgaat) en de in de klacht bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof zich in werkelijkheid dus niet voordoet, [74] terwijl de klacht verder geen te onderscheiden bezwaar bevat dat nog weer nadere behandeling behoeft. [75] De motiveringsklacht onder 26 strandt eveneens. [verweerder] heeft bij memorie van grieven gesteld dat in mei 2008 een betalingsregeling is getroffen en dat in het daaraan voorafgaande overleg ter zake met PFZW [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), de voorganger van [verweerder] als bestuurder van [A] B.V., heeft uiteengezet dat [A] B.V. de pensioenfacturen niet kon betalen en de oorzaken daarvan heeft toegelicht. [76] PFZW heeft dit laatste bij memorie van antwoord betwist, stellende dat “[u]it het door [verweerder] gestelde [niet blijkt] dat hij inzicht heeft gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden voldaan” en dat zij “betwist (…) dat inzicht is gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrages niet konden worden betaald”. [77] Het hof gaat in rov. 12.1 van het arrest aan die (klaarblijkelijk als ‘nee, want’-verweer aangemerkte) betwisting van PFZW als onvoldoende gemotiveerd voorbij, omdat van haar had mogen verwacht, [78] als het inzicht in de bedoelde omstandigheden destijds werkelijk ontbrak, op dit punt toe te lichten waarom de betalingsregeling toen desondanks is getroffen, hetgeen PFZW niet heeft gedaan. Daarbij tekent het hof aan dat andere redenen waarom er een betalingsregeling is getroffen (wat insluit: dan dat PFZW destijds dat inzicht wel had) niet aannemelijk zijn. Een en ander komt dus erop neer dat PFZW deze (zuivere) betwisting, naar ’s hofs gemotiveerde oordeel, nader had moeten onderbouwen. [79] De motiveringsklacht gaat aldus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag, waar het tot uitgangspunt neemt dat het hof zich in rov. 12.1, vierde zin met “en op hoofdlijnen waarom”, etc. uitsluitend baseert “op de vaststellingen in de eerste twee volzinnen van
rov. 12.1dat sprake was van (i) een onbetaalde factuur van EUR 701.305,42 (ii) waarvoor de voorganger van [verweerder] een betalingsregeling had getroffen”, welke omstandigheden “uitsluitend zien op de hoogte van de betalingsachterstand en de wijze waarop die zou worden ingelopen” en “als zodanig niets [zeggen] over de
redenen waaromde achterstand is ontstaan”. Het hof betrekt daarbij immers ook het vervolg van rov. 12.1 volgend op die vierde zin, waarover hiervoor, waarbij verder zij herhaald dat het hof in rov. 12.1(-12.2) dus, en niet onbegrijpelijk, redeneert vanuit dat (door [verweerder] gestelde) gesprek van [betrokkene 1] namens [A] B.V. met PFZW in mei 2008 waarbij hij heeft verteld dat [A] B.V. de desbetreffende bijdragen niet kon betalen en heeft toegelicht wat de oorzaken daarvan zijn, in welk licht ‘s hofs bestreden overweging in rov. 12.1, vierde zin (“en op hoofdlijnen waarom”, etc.) eveneens moet worden verstaan. Ook het slot van de motiveringsklacht baat PFZW niet, nu het hof in rov. 12.1, vijfde zin de daar bedoelde betwisting zijdens PFZW in de memorie van antwoord, nr. 7.3 (waarover hiervoor) expliciet onderkent (zelfs met verwijzing naar die vindplaats), maar vervolgens gemotiveerd, en evenmin onbegrijpelijk, passeert. Kortom, uit hetgeen de klacht aanvoert volgt niet dat de motivering van ’s hofs bestreden overweging tekortschiet.
De rechtsklacht onder 27 is evenmin met vrucht aangevoerd. Art. 2 lid 3 Besluit Pro vereist dat “inzicht wordt gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald”. In de Nota van toelichting is over dit vereiste, zoals hiervoor al uiteengezet (zie onder 3.6), onder meer opgemerkt: [80]
Tot slot mist ook de rechtsklacht onder 28 doel. Het hof overweegt in rov. 12.1 van het arrest niet in de door de rechtsklacht veronderstelde zin, zoals ook de behandeling van de motiveringsklacht onder 26 illustreert, waarover hiervoor. De rechtsklacht gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ik stel voorop dat in de door het hof met rov. 12.1-12.2 van het arrest [82] ingezette lijn na eind mei 2008 geen melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 behoefde te worden gedaan zolang nog sprake was van een betalingsachterstand, tenzij PFZW na ontvangst van een betaling schriftelijk zou hebben doen weten betalingsonmacht van [A] B.V. niet langer aanwezig te achten, wat, naar blijkt uit het arrest, niet is komen vast te staan. [83] Deze door het hof in rov. 12.2 aangenomen ‘doorwerking’ doet logischerwijs ook opgeld voor de in rov. 12.4 bestreken periode, direct aansluitend op de vaststelling in rov. 12.3, slotzin (dus dat PFZW na ontvangst van de daar bedoelde betalingen niet aan [A] B.V. schriftelijk (of anderszins) heeft bericht de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten). Dat brengt mij bij de brief van 15 september 2008 van [verweerder] aan PFZW, waarop het hof doelt in rov. 12.4 (in verbinding met rov. 2.2-2.3). [84] Ook als met het subonderdeel wordt aangenomen dat het hof deze brief daar aanmerkt als zo’n melding, wat ik doe, loopt het subonderdeel m.i. vast. Ten eerste komt het mij voor dat PFZW hoe dan ook geen belang heeft bij het subonderdeel nu, als het hof hier al zou hebben misgetast in termen van rechtsopvatting of motivering zoals bedoeld in het subonderdeel, blijft staan dat, gegeven ook rov. 12.1-12.3 (die in cassatie niet, althans niet met vrucht zijn bestreden) en het voornoemde ontbreken van een schrijven van PFZW aan [A] B.V. zoals bedoeld in rov. 12.1, eerste zin, in de door het hof aangehouden lijn ( [verweerder] als bestuurder van) [A] B.V. na mei 2008 niet gehouden was zo’n melding te doen om schending van de meldingsplicht van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 te vermijden, wat meebrengt dat ’s hofs duiding in rov. 12.4, slotzin (aldus dat het hof daar die brief aanmerkt als zo’n melding) hoe dan ook niet onmisbaar (en daarmee niet dragend) is voor zijn conclusie, kort gezegd, dat [verweerder] die plicht niet heeft geschonden en ook om die reden niet aansprakelijk is op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 (zie rov. 12.9 (“2.19”) en 13), zodat zulk mistasten aan die conclusie hoe dan ook niet zou kunnen afdoen. [85] Dit is al fataal. Ten tweede komt het mij voor dat, waar het hof in rov. 12.4, slotzin in essentie doelt op een herhaling wat betreft het kenbaar maken van de betalingsonmacht van [A] B.V. waarmee PFZW vanaf eind mei 2008 al bekend was, maar hier (medio september 2008) via zo’n melding in schriftelijke vorm, het door het subonderdeel veronderstelde mistasten door het hof zich bovendien niet voordoet. Daarbij ziet het hof de door het subonderdeel bedoelde inzichteis niet over het hoofd, maar verdisconteert het dit inzicht in wat PFZW gelet op de in rov. 12.1-12.4 beschreven voorgeschiedenis (met inbegrip van het relatief korte tijdverloop tussen eind mei 2008 en medio september 2008) en de reeds bij haar aanwezige wetenschap omtrent de betalingsonmacht van [A] B.V. ter zake (zie onder 3.7 hiervoor) redelijkerwijs moest begrijpen naar aanleiding van die brief (kort gezegd: het draait om hetzelfde), wat veronderstelt dat, kort gezegd, die oorzaken van de betalingsonmacht niet per se altijd, en in ieder geval niet hier (bij zo’n herhaling), ook met zoveel woorden in het desbetreffende bericht zelf opgenomen hoeven te zijn. M.i. geeft dit laatste, anders dan het subonderdeel betoogt, dat uitgaat van een onwrikbare, categorische regel (kort gezegd: in die brief moet, op uitgeschreven wijze, enige aanduiding zijn gegeven van de omstandigheden die tot de betalingsonmacht van [A] B.V. hebben geleid, wil die brief zo’n melding kunnen zijn), geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij ik betrek dat als het pensioenfonds dit een en ander redelijkerwijs moet begrijpen ook zonder zo’n explicitering daarvan, voldaan is aan de ratio van die inzichteis (zie onder 3.6-3.7 hiervoor) en het onverminderd vasthouden aan zo’n explicitering, in alle daaraan inherente rigiditeit, geen afdoende redelijk doel dient. [86] De door het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid in ’s hofs bestreden oordeel (kort gezegd: het hof heeft nagelaten vast te stellen dat in die brief aldus enige aanduiding is gegeven van de omstandigheden die tot de betalingsonmacht van [A] B.V. hebben geleid) doet zich dan evenmin voor, waarbij nog zij aangetekend dat m.i. ook zonder nadere motivering afdoende te volgen is uit ’s hofs overwegingen waarom het meent dat die brief op dat moment door PFZW redelijkerwijs niet anders kon worden begrepen dan als zo’n herhaling.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Subonderdeel 2.3is gericht tegen rov. 12.6 van het arrest, waarin het hof volgens het subonderdeel overweegt dat na de brief van 15 september 2008 zijdens [verweerder] [A] B.V. contact heeft gezocht met PFZW en een nadere betalingsregeling heeft getroffen. Indien het hof hiermee (gelezen in samenhang met rov. 12.9 (“2.19”)) beslist dat het sluiten van deze nadere betalingsregeling valt aan te merken als een rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht, althans daarvoor in de plaats kan treden, dan getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting, zo klaagt het subonderdeel onder verwijzing naar hetgeen bij subonderdeel 2.1 onder 22, 24 en 25 is aangevoerd. [87] Indien het hof niet miskent dat het sluiten van de betalingsregeling geen (ondubbelzinnige) mededeling van betalingsonmacht oplevert, is zijn impliciete beslissing dat in dit geval sprake is van een dergelijke mededeling onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, reeds omdat het hof niet toelicht dat en waarom door [verweerder] het op grond van art. 2 lid 3 Besluit Pro vereiste inzicht is gegeven.
Subonderdeel 2.4keert zich in soortgelijke zin tegen rov. 12.7 van het arrest, waarin het hof vaststelt dat [verweerder] op 10 december 2008 met PFZW heeft gesproken over een mogelijk faillissement of een crediteurenakkoord en over de gevolgen daarvan voor de medewerkers. Voor zover het hof hiermee oordeelt dat dit gesprek een rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht inhoudt, is dat onjuist, aldus het subonderdeel (onder 34), nu met het voeren van een gesprek over de genoemde onderwerpen als zodanig geen mededeling wordt gedaan, laat staan dat het op grond van art. 2 lid 3 Besluit Pro vereiste inzicht wordt gegeven. Indien het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de gemotiveerde betwisting zijdens PFZW van het feit dat [verweerder] tijdens het desbetreffende gesprek de voor een rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht vereiste informatie zou hebben verstrekt, aldus het subonderdeel (onder 35).
PFZW heeft bij deze subonderdelen geen belang, om de redenen uiteengezet onder 3.9 hiervoor. Dit is al fataal. De subonderdelen gaan verder uit van een onjuiste lezing van het arrest, en missen daarmee feitelijke grondslag, omdat ze ten onrechte erop berusten dat het hof oordeelt, gelezen in samenhang met rov. 12.9 (“2.19”) en kort gezegd, dat het sluiten van deze nadere betalingsregeling (rov. 12.6 van het arrest) respectievelijk het spreken over een mogelijk faillissement of een crediteurenakkoord en de gevolgen daarvan voor de medewerkers (rov. 12.7) een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 oplevert (althans vervangt). Het hof oordeelt daar niet aldus. Het hof verwijst in rov. 12.6-12.7 niet op enigerlei wijze naar zo’n melding. Ten aanzien van de in rov. 12.1 bedoelde betalingsregeling inzake de factuur van 28 maart 2008 oordeelt het hof bovendien in rov. 12.4 al dat sprake is van “een herhaalde melding van betalingsonmacht” (zie ook onder 3.9 hiervoor), gevolgd door de vaststelling dat PFZW op deze brief van 15 september 2008 niet heeft gereageerd (rov. 12.5) en (dat [verweerder] heeft aangevoerd) dat [A] B.V. “daarop contact heeft gezocht” met PFZW en “een nadere betalingsregeling heeft getroffen”, etc. (inhoudend dat er vooralsnog niet zou worden betaald op de factuur van 28 maart 2008, waarop die herhaalde melding reeds zag en waarmee ter zake sprake bleef van een betalingsachterstand, maar dat [A] B.V. zich ervoor zou inzetten eerst de na die datum openstaande en toekomstig te vervallen facturen te betalen) (rov. 12.6). Het sluiten van deze nadere betalingsregeling, waarop het hof wijst in rov. 12.6, moet dus worden begrepen in het licht en in het kader van die reeds gedane, “herhaalde melding van betalingsonmacht” in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 waarop het hof in rov. 12.4 doelt, wat ook aansluit op de in rov. 2.2 geciteerde brief van [verweerder] van 15 september 2008 (in welk verband het hof dus wijst op die herhaalde melding) waarin hij schrijft in overleg met PFZW een betalingsregeling te willen treffen (waaraan vervolgens dus ook uitvoering is gegeven, zoals bedoeld in rov. 12.6). Kortom, het hof relateert dat sluiten van deze nadere betalingsregeling aan die kort daarvoor reeds gedane, herhaalde melding van betalingsonmacht en beschouwt logischerwijs dit eerste op zichzelf niet als een daarvan weer te onderscheiden, nieuwe, zelfstandige melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000 (althans een vervanging daarvan), waarvoor dus ook geen aanleiding bestond en waarvan het hof dus ook niet rept. Ten aanzien van het in rov. 12.7 bedoelde gesprek stelt het hof bovendien ook niet vast dat dit (ook) betrekking had op het door [A] B.V. niet (kunnen) betalen van bepaalde facturen (met een toelichting op de oorzaken daarvan), volgend op de in rov. 12.6 bedoelde, toen dus al getroffen nadere betalingsregeling (waarin het hof ook vaststelt dat daaraan uitvoering is gegeven doordat, kort gezegd, de facturen van 26 juni 2008 en 27 september 2008 werden voldaan). Ook hier redeneert het hof niet vanuit een nieuwe, zelfstandige melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000, waarvoor dus ook geen aanleiding bestond en waarvan het hof dus ook niet rept. Dat uit dit gesprek naar de aard bleek dat [A] B.V. er niet florissant voorstond, is iets anders en laat het voorgaande onverlet. Ik betrek bij dit een en ander nog dat [verweerder] zelf ook ervan is uitgegaan dat hij in de tweede helft van 2008/begin 2009 “tweemaal betalingsonmacht” heeft gemeld, gelijk het hof dus doet in rov. 12.4, slotzin en rov. 12.8 (“2.18”), slotzin, [88] derhalve niet in rov. 12.6-12.7. Zie voorts nog onder 3.13, slot hierna.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
PFZW heeft ook bij dit subonderdeel geen belang, om de redenen uiteengezet onder 3.9 hiervoor. Dit is al fataal. Het subonderdeel gaat verder uit van een onjuiste lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag, voor zover het erop berust dat het hof in rov. 12.8 (“2.18”) het schriftelijke bericht van 28 januari 2009 aanmerkt als een melding (“mededeling”) van betalingsonmacht in de zin van art. 23 lid 2 Wet Pro Bpf 2000. Het hof oordeelt daar niet aldus, anders dan ten aanzien van het bericht van 3 februari 2009, dat het hof daar wel als zodanig aanmerkt en mede relateert (“ook”) aan de in rov. 12.4 bedoelde “herhaalde melding van betalingsonmacht” (zie ook onder 3.9 hiervoor). Wat betreft dit laatste bericht, dat het hof dus wel als zo’n melding (in schriftelijke vorm) aanmerkt, geldt voorts, en ten eerste, dat het hof daarbij niet ervan uitgaat dat dit bericht geen beschrijving bevat van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de pensioenbijdrages niet kunnen worden betaald, en dus ook niet dat het ontbreken daarvan hier niet in de weg staat aan het aanmerken van dat bericht als zo’n melding. Ook in zoverre gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Ten tweede zij opgemerkt dat het hof zijn oordeel ter zake niet nader hoefde te motiveren om (niet on)begrijpelijk te doen zijn waarom naar diens oordeel in dat bericht die beschrijving gelezen kan worden, nu dat bericht, zoals geciteerd in rov. 2.8, wat dat betreft naar de kern genomen voor zich spreekt. [91] Dit behoeft geen verdere toelichting. Ten derde en tot slot zij opgemerkt dat, anders dan het subonderdeel nog veronderstelt, het hof de door het subonderdeel bedoelde stellingname van PFZW over de verwijzing in die brief naar “loonbelasting” niet uit het oog verliest, maar klaarblijkelijk van oordeel is dat PFZW, niettegenstaande die enkele verwijzing, uit dat bericht redelijkerwijs moest begrijpen dat dit (ook) zag op pensioenpremies die eind januari 2009 door [A] B.V. betaald hadden moeten worden, wat meer in het bijzonder aansluit, gelet ook op het gebruik door het hof van het woord “tijdig”, op de door het hof in rov. 2.4 vermelde factuur van 24 december 2008 waarbij door PFZW een bedrag van € 159.323,07 in rekening is gebracht, mede betrekking hebbend op maandpremies (bestudering van die factuur leert dat daarvoor, althans ten dele, een eind januari 2009 aflopende betalingstermijn gold). [92] Gelet ook op het feit dat PFZW bij voornoemd bericht van 28 januari 2009 al was geïnformeerd door [verweerder] namens [A] B.V. dat “loonheffingen” over de maand december 2008 ten bedrage van € 318.105,-- niet betaald konden worden (zie ook rov. 2.7), alsmede op de in rov. (12.4-12.5 en) 12.6-12.7 beschreven feitelijke aanloop eind 2008 omtrent die nadere betalingsregeling tussen [A] B.V. en PFZW en dat overleg tussen [verweerder] en PFZW over een mogelijk faillissement of crediteurenakkoord (en de gevolgen daarvan voor de medewerkers), brengt hetgeen het subonderdeel ter zake opmerkt m.i. evenmin mee dat ’s hofs oordeel hier als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Als uitgangspunt dient dat de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens hoofdelijke schuldenaren zelfstandig zijn, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. De lotgevallen van de ene verbintenis raken de andere niet, behoudens wanneer de wet daarin voorziet. Zoveel kan reeds worden afgeleid uit een arrest uit 1999, en de Hoge Raad heeft dit uitgangspunt in 2010 nog eens bevestigd ten aanzien van een vordering van het UWV tegenover een ingevolge art. 1:102 BW Pro hoofdelijk aansprakelijke deelgenoot van een ontbonden huwelijksgemeenschap: [99]
Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling zijn de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 95).De zelfstandigheid van de vorderingsrechten leidt onder meer ertoe dat verjaring van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt (vgl. HR 28 mei 1999, nr. C97/318, LJN ZC2911, NJ 2000, 290).”
In dit verband ligt wederom een korte excursie naar de bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaald gebleven belastingschulden ex art. 36 Iw Pro 1990 voor de hand. Die aansprakelijkheid kent (evenals de andere aansprakelijkheden van hoofdstuk VI Iw 1990) geen eigen verjaringsregime, maar is gekoppeld aan de verjaring van het recht tot dwanginvordering jegens de belastingschuldige. “Met betrekking tot de verjaring geldt (…)”, aldus de parlementaire geschiedenis bij het hier toepasselijke art. 4:104 lid 2 Awb Pro, “dat de aansprakelijkheid van de derde de hoofdschuld veronderstelt: als de hoofdschuld verjaart, verjaart de accessoire schuld ook.” [101] De Leidraad Invordering 2008 bepaalt in gelijke zin. [102] Als de ontvanger niet stuit, verjaart aldus na vijf jaar niet alleen de belastingschuld, maar tevens de verbintenis jegens de bestuurder. [103] In zoverre is de aansprakelijkheid van de bestuurder afhankelijk van, accessoir aan, de belastingschuld van het lichaam. [104] Enkele schrijvers trekken dit breder en stellen, meer in het algemeen, dat de aansprakelijkheidsschuld accessoir is en de belastingschuld zelf volgt. Aldus zou, ook buiten het geval van verjaring, de belastingschuld invorderbaar moeten zijn op het moment van aansprakelijkstelling en op het moment dat de aansprakelijkheid komt vast te staan. [105] Deze (bredere) opvatting wordt door het gros van de literatuur niet uitdrukkelijk gevolgd [106] en vindt geen steun in de parlementaire geschiedenis, waarin de accessoriteitsregel slechts aan de orde komt in de context van verjaring. [107] Kijkend naar de wet kan accessoriteit in den brede niet worden gebaseerd op art. 49 lid 1 Iw Pro 1990, volgens welke bepaling aansprakelijkstelling niet plaatsvindt vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met betaling. Die bepaling zegt immers niet meer dan vanaf welk moment de ontvanger de bestuurder aansprakelijk kan stellen. [108] Sterker acht ik dan art. 36 lid 1 Iw Pro 1990, dat evenals art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 bepaalt dat de bestuurder aansprakelijk is voor de belastingen “verschuldigd door” het lichaam. Dit wekt allicht de indruk dat de bestuurder slechts aansprakelijk kan zijn indien er (nog) een belastingschuld bestaat, maar deze indruk vindt in de parlementaire geschiedenis noch de literatuur uitdrukkelijke bevestiging. [109] Ik houd het er, kortom, voor dat uit de fiscale regeling geen accessoriteit volgt, althans niet buiten het geval van verjaring. [110] Daargelaten of deze fiscale verjaringslijn ook in de context van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 toepassing kan vinden, [111] spreekt wat mij betreft niet aan de op afhankelijkheid/accessoriteit gebaseerde benadering zoals het hof die hanteert in rov. 10-11. Ik noem daartoe, geclusterd, enkele aandachtspunten.
In de eerste plaats onderscheidt dit geval zich wezenlijk van het geval waarin, zoals in ieder geval ten aanzien van art. 36 Iw Pro 1990 wordt aangenomen, de aanspraak jegens het lichaam verjaart en de aanspraak jegens de bestuurder dat lot volgt. Het pensioenfonds heeft de verjaring van zijn aanspraak zelf in de hand, althans in het gewone geval, [112] omdat het de verjaring kan stuiten (art. 3:317 BW Pro). Dit is bij de termijn van art. 7:663 BW Pro, een vervaltermijn, onmogelijk. [113] Daarbij gunnen art. 3:307 en Pro 3:308 BW het pensioenfonds vijf jaar nadat zijn aanspraken opeisbaar zijn geworden, [114] terwijl art. 7:663 BW Pro het pensioenfonds één jaar respijt geeft en bovendien aanknoopt bij een rechtsfeit (de overgang van onderneming) dat voor het pensioenfonds niet noodzakelijkerwijs zichtbaar hoeft te zijn. Denkbaar is immers dat een voor het pensioenfonds verdekte overgang van onderneming plaatsvindt, al dan niet met kwaadwillende motieven.
In de tweede plaats resteert normaaltypisch voor het pensioenfonds, indien de aanspraak jegens het lichaam is verjaard, naar de aard geen afdwingbare aanspraak jegens een lichaam meer, maar doet deze situatie zich in dit geval niet voor. Het hof baseert zich immers niet (mede) op verjaring, [115] maar (louter) op verval van de aanspraak van PFZW op [A] B.V. tot nakoming door laatstgenoemde van de verplichting de premieachterstand in te lopen in verbinding met art. 7:663 BW Pro na ommekomst van de daarin bedoelde “1-jaarstermijn” eind 2009/begin 2010 (zie rov. 6-11), [116] waaraan evenwel inherent is dat PFZW nadien in beginsel nog wel over een afdwingbare aanspraak ter zake jegens een lichaam beschikt, zij het na het verstrijken van één jaar na de overgang van onderneming niet langer ook tegenover [A] B.V. (het door [verweerder] bestuurde lichaam, de ‘overdrager’), maar alleen nog tegenover [B] (het lichaam waaraan de pensioenverplichtingen, en daarmee (eventuele) premieachterstanden, [117] zijn overgedragen, de ‘verkrijger’). [118] Het hof acht in zijn opvatting (de al dan niet verjaring van) die aanspraak van PFZW op [B] eenvoudigweg irrelevant, en abstraheert daar dan ook van. [119] Het springende punt in zijn opvatting aan de lichaamzijde is dat de aansprakelijkheid van [A] B.V. jegens PFZW aldus eind 2009/begin 2010 niet langer bestaat, ongeacht (het vooralsnog doorlopen van) de aansprakelijkheid van een ander lichaam - [B] - jegens PFZW voor diezelfde premieachterstand.
Weliswaar lijkt art. 23 Wet Pro Bpf 2000 naar de letter uit te gaan van de gewone situatie waarin er een lichaam in het spel is, te weten het lichaam dat werd/wordt bestuurd door de aangesproken bestuurder en waarbij de aansprakelijkheid voor de desbetreffende bijdragen is ontstaan, [120] maar daaruit volgt nog niet het bestaan van een ‘harde’ voorwaarde voor het met succes door een pensioenfonds aansprakelijk kunnen stellen van een bestuurder op grond van die bepaling erop neerkomend dat het pensioenfonds (ook) een aanspraak heeft op specifiek dat door die bestuurder bestuurde lichaam, uitsluitend het scenario waarin het pensioenfonds (nog) wel een aanspraak heeft voor diezelfde schuld, maar op een ander lichaam (op wie die schuld is overgegaan). Een dergelijke voorwaarde - afhankelijkheid/accessoriteit in die zin - lees ik daarin niet, ook niet in art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000, en blijkt evenmin uit de parlementaire geschiedenis ter zake. [121] Ik meen dat een dergelijk verband ook niet zonder meer voor de hand ligt, mede gelet op het gegeven - onderkend door het hof in rov. 7 - dat de vervaltermijn van art. 7:663 BW Pro niet is geschreven voor de bestuurder van de ‘overdrager’, maar blijkens haar totstandkomingsgeschiedenis berust op een nauwgezette afweging tussen de belangen van de werknemer (c.q. het pensioenfonds) en die van de oude werkgever (de ‘overdrager’), [122] alsmede het gegeven dat de kern van de in art. 23 Wet Pro Bpf 2000 vervatte regeling eruit bestaat dat de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is jegens het pensioenfonds als de niet-betaling van de desbetreffende bijdragen - hier dus de voornoemde schuld, die is overgegaan op dat andere lichaam - het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur (zie onder 3.2 hiervoor). [123] Daarbij valt een parallel te trekken met (de ratio van) de aansprakelijkheidspositie van de gewezen bestuurder, uitgaande van die gewone situatie waarin er een lichaam in het spel is, te weten het lichaam dat werd/wordt bestuurd door de aangesproken bestuurder. Blijkens de parlementaire geschiedenis “blijft” die gewezen bestuurder “aansprakelijk voor de premieschuld die tijdens zijn bestuur is ontstaan. Een dergelijke aansprakelijkheid is nodig, omdat anders een bestuurder zich aan zijn aansprakelijkheid zou kunnen onttrekken door tijdig ontslag te nemen. Bovendien zal een nieuwe bestuurder voor bestaande premieschulden zich in de meeste gevallen gemakkelijk kunnen disculperen. Het is dus redelijk dat verhaal op de gewezen bestuurder mogelijk blijft.” [124] In de derde plaats valt het onverkort bij wijze van afhankelijkheid/accessoriteit toepasselijk achten van de vervaltermijn van art. 7:663 BW Pro, zoals het hof in rov. 10-11 in essentie doet, niet eenvoudig te rijmen met de genuanceerde bedoeling van de wetgever, die de bestuurdersaansprakelijkheid van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 niet heeft willen binden aan een korte verjarings- of vervaltermijn, maar ermee heeft volstaan die aansprakelijkheid te beperken tot het kennelijk onbehoorlijk bestuur in de driejaarsperiode zoals geregeld in het derde en vierde lid van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 (zie onder 3.2 hiervoor), gecombineerd met een mogelijk onweerlegbaar bewijsvermoeden in het vierde lid. Korte termijnen kunnen een belemmering vormen voor het pensioenfonds om in gecompliceerde verhoudingen het onderzoek naar de verschuldigde bijdragen tijdig af te ronden, hetgeen de doelstelling van deze bestuurdersaansprakelijkheid - kort gezegd: het tegengaan van misbruik - zou ondergraven. [125] Hieraan doet niet af dat in de parlementaire geschiedenis ook is opgemerkt dat “de verjarings- en vervaltermijnen voor de aansprakelijke bestuurder zijn gekoppeld aan die van de hoofdschuldenaar” en dat het “niet juist [lijkt], dat voor een aansprakelijk gestelde bestuurder andere termijnen zouden gaan gelden dan voor de hoofdschuldenaar”. [126] Die opmerkingen moeten worden gelezen als reactie op een pleidooi om voor de bestuurder speciale, korte vervaltermijnen op te nemen, welk pleidooi, zoals gezegd, door de wetgever niet is gevolgd. [127] Met die opmerkingen is niet bedoeld dat het koppelen van de termijnen als doel op zich moet worden beschouwd.
Verder dwingt de tekst van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 niet tot afhankelijkheid/accessoriteit zoals bedoeld door het hof in rov. 10, althans niet in het onderhavige geval. Het vijfde lid - op grond waarvan het pensioenfonds de bestuurder eerst aansprakelijk kan stellen nadat het lichaam in gebreke is - beoogt (slechts) te bewerkstelligen dat het pensioenfonds zich eerst tot het lichaam wendt en pas de bestuurder aanspreekt wanneer de facturen van het pensioenfonds niet (geheel) binnen de daarvoor geldende termijn zijn voldaan. [128] Daarmee is het subsidiaire karakter, niet zozeer een afhankelijk/accessoir karakter, van bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 tot uitdrukking gebracht. [129] Uit de ratio van de meldingsplicht van art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waarnaar het hof in rov. 10 verwijst, volgt intussen niet anders. Dat deze meldingsplicht, en activering daarvan, veronderstelt dat het door de bestuurder bestuurde lichaam aansprakelijk is voor het betalen van bepaalde bijdragen aan het pensioenfonds, wil nog niet zeggen dat in alle gevallen waarin nadien die aansprakelijkheid van dat lichaam wegvalt, de bestuurder ‘dus’ ook niet langer aansprakelijk kan zijn op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 voor de desbetreffende bijdragen die door dat lichaam niet zijn voldaan, waarvoor op zichzelf grond kan bestaan bijvoorbeeld, maar niet louter, wegens schending van die meldingsplicht ten aanzien van deze bijdragen (want zie art. 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000, waarover 3.2 hiervoor). Op art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 ging ik hiervoor al in. [130] Gelet op het voorgaande is m.i. ten minste onjuist het oordeel van het hof in rov. 10, voor zover het inhoudt dat de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 in alle gevallen en onder alle omstandigheden afhankelijk is van of accessoir is aan de aansprakelijkheid van “het lichaam” in de zin van art. 23 lid 1 Wet Pro Bpf 2000, waarmee het hof doelt op het door die aangesproken bestuurder bestuurde lichaam bij wie de aansprakelijkheid voor de desbetreffende bijdragen is ontstaan. Van dergelijke afhankelijkheid/accessoriteit is m.i. in dit specifieke geval, gegeven het voorgaande, hoe dan ook geen sprake, zodat rov. 10 op een onjuiste rechtsopvatting steunt. Hetzelfde geldt dan voor rov. 11, waar het hof de conclusie trekt dat de aansprakelijkheid van [verweerder] jegens PFZW eind 2009 althans begin 2010 zonder meer een einde heeft genomen, nu de aansprakelijkheid voor de premieachterstand van [A] B.V. jegens PFZW eind 2009 althans begin 2010 is vervallen op de voet van art. 7:663 BW Pro (na ommekomst van de daarin bedoelde “1-jaarstermijn”) en de aansprakelijkheid van de bestuurder van het lichaam afhankelijk is van (accessoir is aan) het bestaan van de aansprakelijkheid van dat lichaam jegens het pensioenfonds.
Hoewel het onderdeel m.i. dus terecht klaagt over ’s hofs oordeel in rov. 10-11, heeft PFZW daarbij zoals gezegd geen belang, omdat dit, kort gezegd, niet afdoet aan hetgeen het hof overigens overweegt (waaronder rov. 12-16) waarmee ook het dictum in stand blijft. [131] Zie tevens de behandeling van onderdeel 3, onder 3.20 hierna.
Hierop stuit het onderdeel af.
Zoals gezegd (zie onder 3.2 hiervoor), geeft het hof met het door onderdeel 2 (dus zonder vrucht) bestreden oordeel in rov. 12-13 van het arrest een zelfstandig dragende basis aan de conclusie dat [verweerder] niet aansprakelijk is op grond van art. 23 Wet Pro Bpf 2000, waaraan de lotgevallen van onderdeel 1 inzake rov. 10-11 niet afdoen. Bij deze stand van zaken biedt het onderhavige onderdeel PFZW evenmin soelaas, nu: het hof de vraag of [verweerder] aansprakelijk is in rov. 12-14 van het arrest ook ten gronde beoordeelt en op basis daarvan ontkennend beantwoordt; die ten gronde beoordeling wat betreft art. 23 Wet Pro Bpf 2000 in rov. 12-13 door onderdeel 2 zonder vrucht is bestreden; die ten gronde beoordeling wat betreft onrechtmatige daad in rov. 14 door PFZW in cassatie in het geheel niet is bestreden; en daarmee rov. 15-16 hoe dan ook in stand kunnen blijven, ongeacht ’s hofs met onderdeel 1 bestreden oordeel in rov. 10-11.
Hierop stuit het onderdeel af.