Conclusie
[eiser 1],
[eiseres 2],
1.Feiten en procesverloop
toedoenvan het in casu bevoegde orgaan, het college van b&w (rov. 4.6) en dat ook geen plaats is voor toerekening van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de Gemeente wegens gerechtvaardigd vertrouwen op een volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor
risicovan de Gemeente komen en waaruit naar verkeersopvattingen een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, nu met name aan de voorwaarde van gerechtvaardigd vertrouwen niet is voldaan (rov. 4.7-4.17). Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen en dienen [eisers] hetgeen de Gemeente onverschuldigd aan hen heeft betaald, terug te betalen.
grieven 2 en 4 tot en met 8komen [eisers] op tegen het oordeel van de rechtbank dat van de zijde van de Gemeente niet de schijn is gewekt dat [A] over een toereikende volmacht beschikte de vaststellingsovereenkomst te sluiten. Zij hebben onder het aanvoeren van verschillende, hierna te bespreken argumenten betoogd dat die schijn wel is gewekt en dat ze in redelijkheid op die schijn mochten afgaan.
LJN:BK7671,
NJ2010/115 en HR 3 februari 2012,
LJN:BU4909
NJ2012, 390).
LJN: BL5420,
AB2010, 334).
grief 3hebben [eisers] aangevoerd dat de rechtbank hen ten onrechte niet heeft toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de Gemeente door haar toedoen dan wel nalaten de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] heeft gewekt. Zij hebben gesteld dat zij met verschillende personen binnen de Gemeente contact hebben gehad over de aansprakelijkstelling en dat hen nooit is medegedeeld dat [A] niet bevoegd was de schadeclaim af te handelen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
“een gemandateerde bevoegdheid en volmacht” [17] had tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, omdat deze zou vallen onder de beschrijving in het Mandaatbesluit (op p. 6 van de als prod. 3 bij MvG overgelegde versie) van bevoegdheid nr. 18, te weten
“beoordeling en afhandeling van bij de gemeente ingediende schadeclaims”.Deze bevoegdheid is verleend aan ambtenaren met de functieomschrijving ‘juridisch beleidsmedewerker’ en ‘juridisch medewerker’. [eisers] hebben gesteld dat [A] een zodanige functie had. [18] De Gemeente heeft betoogd dat [A] geen juridisch (beleids)medewerker was maar juridisch medewerker RO in de afdeling Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling en daarmee niet onder genoemde paragraaf van het Mandaatbesluit viel. Subsidiair heeft zij betoogd dat bedoeld mandaat niet de bevoegdheid omvat voor het aangaan van een vaststellingovereenkomst tot het voeren van een bindend adviesprocedure. [19]
"Concerndiensten"werkte waar punt 18 van het Mandaatbesluit betrekking op heeft, maar bij de afdeling
"Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling"(vgl. paragraaf 2.11. in de dagvaarding in eerste aanleg), zodat deze bepaling niet op hem van toepassing was.”
subonderdelen 3.2 tot en met 3.5komen op tegen grond (ii). Zij klagen dat het hof miskent dat de in punt 18 omschreven bevoegdheid toekomt aan
iedereals juridisch (beleids)medewerker bij de Gemeente aangestelde ambtenaar – ongeacht bij welke afdeling hij/zij werkzaam is (subonderdeel 3.2) – en dat [A] als juridisch (beleids)medewerker bij de Gemeente is aangesteld (subonderdelen 3.3 t/m 3.5).
subonderdeel 3.2faalt. Kennisneming van het Mandaatbesluit leert dat dit aldus is opgebouwd dat – behoudens in een enkel geval [21] – onder verschillende ‘kopjes’ achtereenvolgens
afdelingenbinnen de Gemeente Dronten worden genoemd, waaronder een (per afdeling genummerde) opsomming van gemandateerde bevoegdheden en volmachten is geplaatst. Zoals ook het hof heeft overwogen, bevindt het genoemde punt 18 waarop [eisers] zich in dit verband hebben beroepen onder het kopje “Concerndiensten”. [22] Het Mandaatbesluit bevat daarnaast ook een kopje “Ruimtelijke en economische ontwikkeling” (p. 10). Tot de aldaar onder nrs. 1 t/m 11 vermelde bevoegdheden behoort niet een vergelijkbare bevoegdheid als die van nr. 18 onder “Concerndiensten”. De indeling naar gemeentelijke afdelingen brengt m.i. mee dat de per afdeling genoemde mandaten en volmachten geacht moeten worden uitsluitend toe te komen aan de
bij die afdeling werkzameambtenaren. ’s Hofs uitleg van het Mandaatbesluit, inhoudende dat de onder het kopje “Concerndiensten” vermelde bevoegdheid nr. 18 tot het afhandelen van schadeclaims uitsluitend toekomt aan de bij die afdeling werkzame juridische (beleids)medewerkers, is dan ook juist.
subonderdelen 3.3 t/m 3.5, die zien op de vraag of [A], die – naar het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld – werkzaam was bij de afdeling “Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling”, bij die afdeling al dan niet was aangesteld als juridisch (beleids)medewerker, geen bespreking meer.
subonderdeel 3.1, dat opkomt tegen grond (i), geen belang bestaat.
niet vertegenwoordigingsbevoegdindien er geen onderliggend besluit is van het door de wet aangewezen orgaan tot het verrichten van de betreffende handeling. Zo wordt een burgemeester die overgaat tot verkoop van een stuk gemeentegrond zonder dat het daartoe vereiste besluit van het college van b&w is genomen, geacht te handelen als onbevoegd vertegenwoordiger. [24] Vgl. in die zin ook 3.18 van het bestreden arrest, waar het hof het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van (o.m.) een onderliggend besluit (haar rov. 4.3) weergeeft als het oordeel dat [A] niet bevoegd was de Gemeente te vertegenwoordigen. Het gebruik van deze terminologie is niet onomstreden. [25]
zijn feiten die zijn voorgevallen na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Om die reden zijn deze feiten, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld (rechtsoverweging 4.16), niet van belang voor de beantwoording van de vraag of er sprake was van een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.Het feit dat [A] over de onderhavige kwestie een persoonlijk dossier heeft bijgehouden, waarin hij de correspondentie met [eisers] bewaarde, is eveneens eerst gebleken ver na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.”
[D]/[E] [29] , aangevoerd dat ook (voor risico van de pseudovolmachtgever komende) feiten en omstandigheden die zich
nahet onbevoegdelijk verrichten van een rechtshandeling hebben voorgedaan, kunnen bijdragen aan het gerechtvaardigd vertrouwen dat die rechtshandeling bevoegd is verricht.
(a)Op zichzelf is juist dat de gemeente de kosten van het bindend advies heeft betaald en dat [A] namens de Gemeente in eerste aanleg bij de behandeling van de vordering in kort geding is verschenen, maar
deze feiten spelen bij de hier te beantwoorden vraag geen rol van betekenis, omdat het moment waarop moet worden beoordeeld of de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is toe te rekenen aan de pseudoprincipaal het moment is waarop de gestelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, aldus Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/randnummer 38.”
(b)Onweersproken is gesteld dat [A] de gemeente niet in kennis heeft gesteld van het kort geding, en de factuur van [B] onder een andere noemer (te weten planschade) heeft laten betalen.”
(b)aangeduide oordeel van de rechtbank in rov. 4.16. Ook in de toelichting op die grief worden uitsluitend bezwaren gericht tegen de onder
(b)vermelde vaststellingen. Hier noch elders in de memorie van grieven wordt enige klacht geformuleerd tegen de onder
(a)door de rechtbank tot uitgangspunt genomen regel c.q. uitleg van art. 3:61 lid 2 BW Pro. Het hof heeft die overweging van de rechtbank aldus uitgelegd dat naar haar oordeel posterieure feiten
nietvan belang zijn voor de beantwoording van de vraag of er sprake was van een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
.Waar tegen het oordeel van de rechtbank dienaangaande geen grief was gericht, lag die regel c.q. uitleg van art. 3:61 lid 2 BW Pro buiten de rechtsstrijd van partijen. Het hof moest daarom uitgaan van de juistheid van dat oordeel. [30]
[D]/[E] [31] overwoog Uw Raad immers:
niet ter zake doet of een gedeelte van de omstandigheden waarop de schijn van bevoegdheid berust, zich heeft voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst.” (cursivering A-G)
Moluksche Kerk/Clijnk [34] , waarin werd geoordeeld dat het hof geen rechtsregel had geschonden door bij de beoordeling van de schijn van vertegenwoordiging mede betekenis toe te kennen aan een posterieur nalaten van de pseudo-principaal.
Regiopolitie/Hovax [35] niet worden afgeleid dat posterieure feiten bij de toerekening van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid geen (enkele) rol kunnen spelen. M.i. kan uit die uitspraak in de eerste plaats al niet worden afgeleid dat de regel wordt gegeven dat het moment waarnaar moet worden beoordeeld of de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is toe te rekenen aan de vertegenwoordigde, het moment is waarop de gestelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. De klacht dat de rechtbank zou hebben miskend dat, zoals het cassatiemiddel stelde, de toerekeningsvraag moet worden beoordeeld naar het moment waarop de gestelde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, faalde immers bij gebrek aan feitelijke grondslag nu de rechtbank de toerekeningsvraag wel naar dat moment had beoordeeld (rov. 4.8-4.9).
welkeposterieure feiten nog meegewogen kunnen worden bij het oordeel over de toerekening op de voet van art. 3:61 lid 2 BW Pro. Het ligt in de rede dat feiten die zich betrekkelijk kort na de totstandkoming van de rechtshandeling hebben voorgedaan, meer gewicht in de schaal zullen leggen dan feiten die zich eerst geruime tijd nadien hebben voorgedaan. Ik lees in de bestreden rov. 3.31 echter geen afweging van die aard.
[D]/[E]staat niet op zichzelf. Hij sluit aan bij de gedachte dat posterieure feiten ook een – minstgenomen – versterkende rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag óf gehandeld is in naam van een volmachtgever. [40] Ook in het kader van het leerstuk van de uitleg van overeenkomsten wordt verdedigd dat het feit dat het daarbij gaat om het vaststellen van de partij-afspraak in het licht van de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten, “uiteraard niet uitsluit dat mede wordt gelet op zich later voordoende omstandigheden.” [41]
[D]/[E]eveneens van toepassing is in gevallen van toerekening aan de pseudoprincipaal op grond van schijnwekkende feiten en omstandigheden die voor diens
risicokomen. [42] Ik zie op dit punt geen principieel verschil met toerekening op grond van ‘toedoen’, terwijl een billijke en genuanceerde toepassing van die regel meebrengt dat voor oprekking van de toerekening tot onaanvaardbare proporties niet gevreesd behoeft te worden.
nietis aangevoerd in appel [44] , zodat het hof op die stelling niet behoefde in te gaan. Voorts is die stelling in eerste aanleg door de Gemeente gemotiveerd betwist. [45]
onderdeel 4geen nadere bespreking.