Uitspraak
27 november 1992.
Hoge Raad
Felix voerde een bedrijf op de luchthaven van Aruba en had met de luchthavenmeester onderhandeld over het gebruik van ruimtes en exploitatie van diensten voor kleinere vliegtuigen. De luchthavenmeester verleende stilzwijgend toestemming, maar een ministerieel besluit verbood later de exploitatie door Felix, waardoor hij schade leed.
De rechtbank kende schadevergoeding toe, maar het hof beperkte deze tot geleden verlies en oordeelde dat de luchthavenmeester niet bevoegd was Aruba te binden. De Hoge Raad bevestigt dat de luchthavenmeester niet bevoegd was, maar stelt dat onder omstandigheden de onjuiste veronderstelling van bevoegdheid voor rekening van de overheid kan komen, bijvoorbeeld door onduidelijke regelgeving of nalatigheid.
De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling van de vraag of de overheid aansprakelijk is voor de schade door het doorbreken van de onderhandelingen, mede gelet op het vertrouwensbeginsel en de redelijkheid en billijkheid.
De kosten van het cassatieproces worden Aruba opgelegd, terwijl de beslissing over de kosten in het incidentele beroep wordt gereserveerd. De zaak betreft belangrijke aspecten van bestuursrechtelijke aansprakelijkheid en het vertrouwensbeginsel bij onderhandelingen met overheidsfunctionarissen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofvonnis en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling van aansprakelijkheid en schadevergoeding.