Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het dictum van het bestreden arrest voor zover daarin het oordeel van de rechtbank wordt vernietigd dat [verweerder] gehouden is tot afgifte van alle bescheiden die zich nog onder hem bevinden en die te maken hebben met de afwikkeling van de nalatenschap van de vader en het door hem ten processe bedoelde beheer. Het onderdeel (onder 1.1) betoogt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in appel heeft miskend dan wel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, nu [verweerder] geen grief heeft gericht tegen deze veroordeling door de rechtbank en het hof derhalve het vonnis op dit punt had moeten bekrachtigen. De overige subonderdelen bouwen hierop voort met het betoog dat het oordeel van het hof onjuist of onvoldoende begrijpelijk is, voor zover het hof in de memorie van grieven van [verweerder] een ‘verborgen’ grief heeft ontwaard tegen de toewijzing van de vordering tot afgifte van de genoemde documenten (onder 1.2 en 1.3) dan wel voor zover het hof ten onrechte de vordering tot afgifte heeft afgewezen op de grond dat de bescheiden niet tot de nalatenschap van de erflater maar tot het vermogen van een derde behoren (onder 1.4).