Op 1 april 2012 vond een incident plaats waarbij verdachte zich verzette tegen aanhouding door politieambtenaren in Haarlem. Hij werd veroordeeld voor het beschadigen van andermans goed, wederspannigheid met lichamelijk letsel en eenvoudige belediging van ambtenaren tijdens hun rechtmatige bediening. Het hof Amsterdam verklaarde deze feiten bewezen, maar legde geen straf op en kende schadevergoeding toe aan benadeelden.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat verdachte voorafgaand aan zijn verzet een klap had gekregen van een agent, hetgeen het hof niet aannemelijk achtte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te stellen dat ook indien de klap uit het niets was gegeven, dit de rechtmatigheid van de bediening niet aantastte. Dit miskent het belang van proportionaliteit en subsidiariteit bij de rechtmatigheid van politieoptreden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de feiten van wederspannigheid en belediging betreft en de strafoplegging, en wijst de zaak terug aan het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. Tevens is vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dit wordt niet inhoudelijk behandeld vanwege de vernietiging.