Conclusie
de Ontvanger van de Belastingdienst/Midden-en Kleinbedrijf
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Beoordeling principaal cassatieberoep
i) [verweerster] kan op grond van haar bijzondere positie ten opzichte van [B] en/of op grond van andere bijzondere omstandigheden niet geacht worden medeverantwoordelijk te zijn voor (het ontstaan van) de belastingschulden van [B] omdat dat is gesteld noch is gebleken; én
ii) meer in het bijzonder kan dit niet worden ontleend aan het profijt dat [verweerster] heeft van de overname door [B] van het afnamebeding in de pachtovereenkomst ten opzichte van Heineken. Dat profijt is immers van ondergeschikte betekenis omdat het slechts daarin bestaat dat de borgstelling door Heineken wordt gecontinueerd en daarmee de door EHF aan [verweerster] verstrekte kredietfaciliteit van € 150.000,- met, onbetwist, een looptijd van vijf jaar, en in het verlengde daarvan dat geen boete van € 250,- per dag verschuldigd wordt aan Heineken wegens schending van het afnamebeding.
i) en (
ii) cumulatieve grondslagen en dragen zij samen de slotsom van het hof dat [verweerster] het bodembeslag niet hoeft te dulden.
i) waarop het hof zijn oordeel baseert dat geen sprake is van de afnamebeding-uitzondering, ziet, naar ik begrijp, op het uitgangspunt van de situaties waarin geen sprake is van een terughoudend beleid zoals neergelegd in art. 22.8.10 LI 2008. De maatstaf is dat indien de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de zaken van de derde aanleiding geeft deze zaken als de zaken van de belastingschuldige aan te merken er geen terughoudend beleid geldt ten aanzien van reële eigendom van de derde. [11] Om vast te stellen of er sprake is van reële eigendom is aldus van belang aan wie de betreffende zaken in economisch opzicht in overwegende mate toebehoren. Het hof verwoordt deze maatstaf als volgt: Kan [verweerster] medeverantwoordelijk worden gehouden voor (het ontstaan van) de belastingschulden van [B]? Dat daarvan sprake is, is volgens het hof niet gesteld of gebleken.
ii) ziet op het profiteren van de derde van het afnamebeding. Het hof overweegt dat medeverantwoordelijkheid van [verweerster] voor de belastingschulden van [B] niet kan worden ontleend aan het profijt dat [verweerster] heeft van de overname door [B] van het afnamebeding. Het is onduidelijk of voor het criterium zoals geformuleerd in de afnamebeding-uitzondering ‘ten behoeve van de derde’ volstaat dat de derde van het afnamebeding profiteert. Het hof Leeuwarden heeft in 2007 geoordeeld dat profiteren volstaat. [12] In die zaak was sprake van een brouwerijcontract en oordeelde het hof dat de eigenaar (de brouwerij) geen reëel eigenaarsrisico liep. In het thans te beoordelen arrest van het hof Amsterdam is geoordeeld dat het profiteren van het afnamebeding door de derde ([verweerster]) van ondergeschikt belang is. Het hof heeft beoordeeld of het profijt dat de derde in dit geval heeft van het afnamebeding, meebrengt dat sprake is van een economische verhouding tussen [B] en de inventaris van [verweerster] die aanleiding geeft de inventaris als zaken van [B] (de belastingschuldige) aan te merken en er zodoende geen terughoudend beleid geldt ten aanzien van de reële eigendom van [verweerster]. De maatstaf dat beoordeeld wordt in hoeverre de derde profiteert van het afnamebeding om vast te stellen of de derde medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de belastingschuld, acht ik juist. [13]
onderdeel 1.4 als 1.5bevat geen afzonderlijke klacht, maar bouwt voort op de voorgaande onderdelen zodat ze het lot daarvan delen.
middel 2geen bespreking meer omdat het is gericht tegen rov. 3.13.1 die niet dragend is voor de slotsom waartoe het hof komt.