Conclusie
eerste middelwordt gesteld dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte als strafbaar feit heeft gekwalificeerd, omdat het bewezenverklaarde niet inhoudt dat de verdachte ‘wist’ dat het in de tenlastelegging bedoelde geld door misdrijf was verkregen, terwijl dit voor een veroordeling ter zake van het in artikel 416 lid 2 Sr Pro strafbaar gestelde feit wel is vereist.
tweede middelbevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. In het bijzonder zou niet blijken dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen met door misdrijf verkregen geld is aangeschaft.
GBA:
derde middel, waarin wordt geklaagd dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat de verdachte niet wist dat [betrokkene 1] onjuiste gegevens had verstrekt aan de uitkeringsinstantie en dat de verdachte de facto geen financieel voordeel heeft gehad bij het samenleven met [betrokkene 1], behoeft - gelet op het slagen van het (hiermee samenhangende) tweede middel - geen bespreking.