ECLI:NL:PHR:2015:822

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
4 juni 2015
Zaaknummer
13/05705
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e SvArt. 511f SvArt. 511g SvArt. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit schuldwitwassen en medeplichtigheid hennepteelt

In deze zaak staat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij betrokkene is veroordeeld voor schuldwitwassen. Haar partner werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan (poging tot) hennepteelt door het leveren van kweekbenodigdheden via hun bedrijf [A]. Het hof stelde vast dat de winst van het bedrijf over de jaren 2002 tot en met 2007 volledig afkomstig was van criminele activiteiten.

Het hof bepaalde het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 143.586, de helft van de totale winst van € 287.173, omdat betrokkene zelf geen inkomsten had maar leefde van de gezamenlijke inkomsten. Betrokkene voerde aan dat niet alle winst uit illegale activiteiten afkomstig kon zijn, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat het bedrijf niet ook legale handel dreef.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd was op wettige bewijsmiddelen. Wel werd erkend dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar dit leidde niet tot cassatie. De uitspraak bevestigt de rechtspraak dat winst uit een onderneming die uitsluitend criminele activiteiten faciliteert als geheel kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/05705 P
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 20 september 2013 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 129.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (13/05703) en met de straf- en ontnemingszaak tegen haar medeverdachte [medebetrokkene] (13/05694 en 13/05704 P), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel dat de volledige winst van het bedrijf [A] over de jaren 2002 tot en met 2007 als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. In de samenhangende strafzaak is de partner en medeverdachte van de betrokkene, [medebetrokkene], veroordeeld wegens gewoontewitwassen. [medebetrokkene] kocht en verkocht in het kader van de onderneming ‘[A]’ kweekbenodigdheden. Het gaat daarbij om producten die worden gebruikt in hennepkwekerijen. De betrokkene heeft [A] in 2001 opgezet. Vanaf 2002 of 2003 heeft [medebetrokkene] de werkzaamheden overgenomen. Het inkomen uit [A] is aan te merken als gezamenlijk inkomen van de betrokkene en [medebetrokkene]. Het hof heeft in de hoofdzaak geconcludeerd dat de winst die de [medebetrokkene] met [A] heeft behaald op de verkoop van kweekbenodigdheden van misdrijf afkomstig is. Met de verkoop van kweekbenodigdheden heeft hij zich volgens het hof schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep. De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld wegens schuldwitwassen.
5. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in:

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeelDe veroordeelde is bij arrest van dit hof van 20 september 2013 (parketnummer 24-000946-10) terzake van “Schuldwitwassen”’ veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Door [verbalisant 1], accountant in dienst van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, Unit Operationele Expertise, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, is op 18 juni 2008 een financieel rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt. Volgens pagina 21 van dat rapport is door het bedrijf [A] over de periode 2002 tot en met 2007 een totale winst gemaakt van € 287.173,--. Zoals aangegeven in de hoofdzaak gaat het hof er van uit dat de winst die door [A] is behaald met de verkoop van kweekbenodigdheden crimineel vermogen betreft. Door veroordeelde is geprofiteerd van deze inkomsten. Veroordeelde had zelf geen inkomsten maar leefde van de inkomsten die haar partner had uit zijn bedrijf [A]. Het hof zal derhalve het voordeel delen door twee.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het voordeel op een bedrag van € 143.586.--”
6. Deze berekening heeft het hof ontleend aan de volgende, in de aanvulling op de uitspraak opgenomen, bewijsmiddelen:
“1. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt rapport - als bijlage gevoegd bij rapportnummer 2008012310554952, ordner met opschrift "ECU - Rapportage SFO map 1" (blz. 001 e.v.) - gesloten op 18 juni 2008, door [verbalisant 1], accountant en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, houdende - zakelijk weergegeven -
het relaas van verbalisant:
De winstbedragen volgens de jaarrekeningen van [A] bedroegen:
2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal van verhoor - als bijlage gevoegd bij proces-verbaalnummer 2007056793, ordner met opschrift "ECU - Persoonsdossiers (PD.01 - blz. 022 e.v.) - proces-verbaalnummer 2007121115155329, gesloten op 11 december 2007, door [verbalisant 1], inspecteur van politie, en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van
[medebetrokkene]:
Ik leef met [betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]) en we hebben drie kinderen. We zijn, denk ik, 20 jaar bij elkaar. Mijn inkomsten over de afgelopen jaren zijn uit [A]. [A] is eerst van [betrokkene] geweest en daarna heb ik het gedaan. Dat kan in 2002 zijn maar het kan ook 2003 zijn. Vorig jaar, 2006, was de winst tussen de € 40.000,- en € 45.000,- en het jaar ervoor, 2005, was het ongeveer € 75.000,—.
3. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal van verhoor - als bijlage gevoegd bij proces-verbaalnummer 2007056793, ordner met opschrift "ECU - Persoonsdossiers (PD.01 - blz. 026 e.v.) - proces-verbaalnummer 2007121209275329, gesloten op 12 december 2007, door [verbalisant 1], inspecteur van politie, en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van
[medebetrokkene]:
[A] is in 2001 gestart. [betrokkene] heeft het samen met een kennis van mij opgestart. Ik was toen vaak aanwezig en ik hielp wel eens wat mee. De activiteiten van [A] zijn de verkoop van kweekmateriaal. Ik verkoop aan particulieren.
4. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal van verhoor - als bijlage gevoegd bij proces-verbaalnummer 2007056793, ordner met opschrift "ECU - Persoonsdossiers (PD.02 - blz. 019 e.v.) - proces-verbaalnummer 2007121009065329, gesloten op 10 december 2007, door [verbalisant 1], inspecteur van politie, en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van
[betrokkene]:
Ik woon samen en mijn partner is [medebetrokkene]. Wij hebben drie kinderen. U vraagt mij naar het bedrijf [A]. Dat heb ik in het begin gedaan. U vraagt mij welke inkomsten mijn partner de afgelopen jaren had. [medebetrokkene] is voor zichzelf, wat de inkomsten zijn weet ik niet. [medebetrokkene] heeft [A] en hij heeft onroerend goed en daar heeft hij inkomsten uit. U vraagt of dit inkomen ons gezamenlijk inkomen is. Ja, daar leven wij van.”
7. De toelichting op het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de volledige winst over de jaren 2002 t/m 2007 als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat [A] slechts zaken deed met illegale henneptelers. Het hof had kenbaar moeten maken welk gedeelte van de winst afkomstig was van de verkoop aan illegale henneptelers, aldus de steller van het middel.
8. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. [1]
9. Betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld wegens schuldwitwassen. Daaraan lag ten grondslag dat de medeverdachte van de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan hennepteelt door benodigdheden te leveren aan hennepkwekerijen. In het arrest van het hof in de hoofdzaak ligt besloten dat de winst die is behaald met [A] volledig is aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee heeft het hof te kennen gegeven dat [A] niet heeft gefunctioneerd als een onderneming waarin (ook) legale handelsactiviteiten plaatsvinden.
10. De uitspraak in de onderhavige ontnemingszaak ligt aldus in het verlengde van het arrest in de hoofdzaak. Uitgaande van het oordeel van het hof dat de winst die is behaald afkomstig was uit misdrijven, te weten de medeplichtigheid aan (poging tot) de teelt van hennep, is het oordeel dat dat bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt niet onbegrijpelijk en, mede in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd.
11. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
12. Het
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Nu op 1 oktober 2013 beroep in cassatie is ingesteld en de stukken op 20 juni 2014 ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de inzendtermijn overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Nu het cassatieberoep in de hoofdzaak gelijktijdig wordt behandeld, kan de compensatie worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.
13. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vergelijk de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917 en zie voorts HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8125, NJ 2006,165, HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629, NJ 2008,96, HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU4206, HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013, 544 en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:895.