Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Op grond waarvan acht het Hof de Staat (voor 50%) aansprakelijk?
waaromhet toezicht tekort schoot. Dat is te lezen in rov. 4.8. Daarin staat dat het gebrekkige toezicht was gelegen in het niet bewaken van de juiste ligging van de AGW1 en/of het tijdig en op de juiste wijze doen vieren van de touwen. Dat wordt in rov. 4.11 min of meer herhaald.
onderdelen 2.18 en 2.19voor zover deze scharnieren om het “causaal verband”.
5.Korte behandeling van de resterende kernklachten voor zover nodig
onderdelen 2.9 en 2.10schieten blijkens het daarboven geplaatste opschrift op ’s Hofs oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kon worden verwacht. Meer in het bijzonder wordt opgekomen tegen rov. 4.7.6 en 4.7.9 van het bestreden arrest.
concreethouvast biedende uiteenzettingen van de Staat die het Hof in zijn beoordeling had moeten betrekken. ’s Hofs oordeel is van feitelijke aard en leent zich niet voor beoordeling in cassatie. Dat een ander oordeel denkbaar was geweest, doet hieraan niet af.
concreteinformatie geven ze niet. Bij gebreke van een inhoudelijk en meer op de concrete omvang van de kans toegespitst debat kan de rechter moeilijk verder komen dat het uitspreken van een machtswoord. Natuurlijk is het mogelijk om zo’n machtswoord op te tuigen met een opeenstapeling van weinig zeggende algemeenheden, maar het nut daarvan is niet erg groot. Ik kan het ook anders zeggen: partijen en met name ook de Staat zijn blijkbaar niet in staat geweest om verder te komen dat een opeenstapeling van abstracte omstandigheden. Bij die stand van zaken kan moeilijk van de rechter worden verwacht dat hij concreter wordt dan partijen zelf kennelijk hebben kunnen zijn.
onderdeel 10veronderstelt, komt het niet aan op de vraag of “waarschijnlijk was (...) dat de aandacht van de bemanning niet (tevens) gericht zou zijn op een juiste besturing”.
ten overvloede– in het licht van de onder 3.3 vermelde gegevens;
onderdelen 2.11 en 2.12schuren langs de al besproken vragen. Ze zien op de vraag of de (volgens de Staat) door [betrokkene 1] gegeven waarschuwing een afdoende maatregel was; ze richten zich eveneens tegen rov. 4.7.6 en 4.7.9.
Onderdeel 2.11klaagt dat het Hof heeft miskend dat het de vraag diende te beantwoorden of de waarschuwing - in het licht van de vaststaande omstandigheden - kon worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen het betrokken gevaar en of te verwachten viel dat deze waarschuwing zou leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar werd vermeden, namelijk tot het door de bemanning bewaken van een juiste ligging en het tijdig en op juiste wijze laten vieren van de touwen. [24] Voor zover het Hof de hier bedoelde vraag heeft beantwoord, wordt dat oordeel ontoereikend gemotiveerd genoemd (
onderdeel 2.12).
in gevallen als de onderhavigebetekent, is geen vraag die de cassatierechter kan beantwoorden. De problematiek is immers in hoogst overwegende mate feitelijk.
kunnenleiden. Daaromtrent voert het onderdeel evenwel niets aan. Het staart zich blind op alleen de kans dat de betrokken werknemers hun aandacht te veel bij hun werk hielden (want dat is waar het betoog van de Staat in feite op neerkomt).
onderdelen 2.13 en 2.14kanten zich tegen de betekenis die het Hof in rov. 4.7.3 - 4.7.5 aan de Richtlijnen Vaarwegen 2011 [26] heeft toegekend.
aanknopingspuntenkunnen worden ontleend voor de vaststelling van wat in het onderhavige geval aan zorg van de Staat jegens de bemanning of eigenaar van de motorvlet verwacht mocht worden. Het Hof heeft zich dus niet uitsluitend gebaseerd op deze Richtlijnen, wat alleen al blijkt uit het woordje “aanknopingspunten” (rov. 4.7.3). [32] Uit ’s Hofs arrest, in zijn geheel gelezen, blijkt duidelijk dat zijn oordeel vooral berust op toepassing van de kelderluikcriteria. Dat is met zo veel woorden te lezen in rov. 4.5 en uit hetgeen daarna volgt is volstrekt duidelijk dat het Hof daaraan invulling bedoelt te geven; zie onder meer rov. 4.7.6.
ook”, cursivering toegevoegd). Reeds daarop stuit de hierop toegespitste klacht af. Bovendien is duidelijk dat het Hof zijn oordeel baseert op de gedachte dat ook aan situaties als de onderhavige een voldoende relevant gevaar is verbonden.
juist, hebben kunnen aanvoeren dat zich nimmer eerder ongelukken als de onderhavige hebben voorgedaan, terwijl dit soort situaties veelvuldig voorkomt.
de bemanningvan de AGW I heeft geschonden.
de eigenaarvan de AGW I is gehandeld. In rov. 4.7.2 heeft het Hof het weliswaar over de mate waarin de Staat jegens
de bemanningvan de AGW I tot het houden van toezicht was gehouden, maar uit de slotzin van rov. 4.7.3 volgt onmiskenbaar dat het Hof tevens heeft onderzocht wat in het onderhavige geval aan zorg van de Staat jegens
de eigenaarvan de AGW I verwacht mocht worden.
onderdelen 2.17 en 2.18heb ik onder 4 al besproken.