Conclusie
Inleiding
Het cassatiemiddel
gebruiktmocht worden als burgerwoning. Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.1, laatste zin, dat [eiser] niet zonder meer in redelijkheid erop kon vertrouwen dat het onjuiste standpunt van de Gemeente inzake de toepasselijkheid van het overgangsrecht stand zou houden. Een burger, ook de professional, mag immers in principe erop vertrouwen dat een overheidsorgaan juiste inlichtingen verstrekt en behoeft geen rekening ermee te houden dat deze inlichtingen achteraf onjuist zouden kunnen zijn.
gebruiktmocht worden als burgerwoning. In ’s hof overwegingen ligt het oordeel besloten – een oordeel dat niet onbegrijpelijk is en verder in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst – dat de Gemeente de brief niet aldus heeft opgevat en ook niet aldus behoefde op te vatten.
condicio sine qua non-verband tussen het nalaten van de Gemeente en het verlies van de kans op het succesvol verkrijgen van de woonbestemming gegeven althans aannemelijk is en dat het hof met toepassing van het leerstuk van de kansschade de schade van [eiser] moet vaststellen althans zulks moet doen aan de hand van de leer van de proportionele schade.
nietdoor formele rechtskracht wordt ‘gedekt’ de bij de uitvoering van een bevoegdhedenovereenkomst gepleegde wanprestatie, die daarin bestaat dat het uiteindelijke besluit afwijkt van hetgeen is overeengekomen. Het gaat daarbij om een contractuele aansprakelijkheid. Doordat het besluit formele rechtskracht heeft verkregen, kan de burger weliswaar geen nakoming vragen, maar wel vervangende schadevergoeding wegens wanprestatie, aldus uw Raad.