Onderdeel 1a klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 4.1 dat de mededeling van de gemeente dat geen principiële bezwaren bestaan tegen het restaureren en wederom in gebruik nemen van de woning, niet is aan te merken als onjuiste mededeling en dat hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat [eiser] aan deze mededeling geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zijn plannen doorgang konden vinden. Het middel voert daartoe aan dat [eiser] immers het verzoek in zijn brief van 4 februari 1988 (bedoeld zal zijn: het verzoek in zijn brief van 10 november 1987 waarop de brief van de Gemeente van 4 februari 1988 een reactie is) heeft gedaan vanwege de onduidelijkheid over de gebruiksmogelijkheid van de dienstwoning als burgerwoning en dat een wereld van verschil bestaat tussen het “niet hebben van principiële bezwaren” en het geheel niet mogen gebruiken van het perceel voor bewoning. Het onderdeel betoogt voorts dat het hof miskent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Gemeente – naar later bleek ten onrechte – ervan uitging dat het gebruik als burgerwoning onder het overgangsrecht viel, en dat de brief van 4 februari 1988 derhalve in dat licht moet worden bezien.
Onderdeel 1b verwijt het hof een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd door uitsluitend te beoordelen of de mededeling van de Gemeente juist was en of [eiser] daarop mocht vertrouwen, terwijl de Gemeente, mede gelet op de omstandigheden van het geval, tevens gehouden was om volledige informatie te verstrekken en bij onzekerheid over interpretatie van geldende regelgeving daarvan mededeling te doen en aan te geven welke weg gevolgd kon worden.
Onderdeel 1c klaagt dat het hof voorts is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het onvoldoende, althans onvoldoende kenbaar, rekening heeft gehouden met de betekenis die [eiser] redelijkerwijs aan de brief van de Gemeente van 4 februari 1998 (bedoeld zal zijn: 4 februari 1988) en de daarop volgende correspondentie mocht toe kennen en redelijkerwijs van de Gemeente mocht verwachten – te weten dat hij de dienstwoning als burgerwoning kon gebruiken – gelet op de in het onderdeel genoemde omstandigheden.
Onderdeel 1d betoogt dat onjuist, althans onbegrijpelijk is ’s hofs overweging dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat B&W niet steeds het laatste woord hebben over bouwplannen en dat zulks bij [eiser] bekend mag worden verondersteld, gelet op zijn beroep als architect. Het verzoek in de brief van [eiser] van 10 november 1987 zag immers, aldus het onderdeel, niet op een bouwplan of bouwvergunning maar op de (simpele) vraag of de woning gelet op het bestemmingsplan
gebruiktmocht worden als burgerwoning. Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.1, laatste zin, dat [eiser] niet zonder meer in redelijkheid erop kon vertrouwen dat het onjuiste standpunt van de Gemeente inzake de toepasselijkheid van het overgangsrecht stand zou houden. Een burger, ook de professional, mag immers in principe erop vertrouwen dat een overheidsorgaan juiste inlichtingen verstrekt en behoeft geen rekening ermee te houden dat deze inlichtingen achteraf onjuist zouden kunnen zijn.
Onderdeel 1e klaagt dat de omstandigheid dat het hier om een bijzonder gebied gaat en dat [eiser] architect is, zoals het hof overweegt in rov. 4.1, niet relevant, althans niet doorslaggevend is voor het oordeel dat geen sprake zou zijn van onjuiste inlichtingen en/of opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Het onderdeel verwijt het hof te hebben miskend dat [eiser] zich bewust was van het feit dat het een bijzonder gebied betrof en dat hij daarom ook heeft verzocht of het gebruik als burgerwoning toegestaan was.
Onderdeel 1f klaagt dat voor zover het hof heeft bedoeld dat [eiser] onder de gegeven omstandigheden niet erop mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen inzake het onder het bestemmingsplan toegelaten gebruik van de dienstwoning als burgerwoning waren gegeven, ’s hofs oordeel onvoldoende met redenen is omkleed nu niet duidelijk is waarom [eiser] niet in redelijkheid erop zou mogen vertrouwen dat het standpunt van B&W ten aanzien van het mogen gebruiken van de dienstwoning als burgerwoning, althans het overgangsrecht stand zou houden.
Onderdeel 1g klaagt dat het voorgaande ook rov. 4.2 van ’s hofs arrest vitieert nu het hof overweegt dat de brieven van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 voortbouwen op de brief van 4 februari 1988. Het enkele feit dat de brieven van [eiser] van 2 maart 1988 en 4 mei 1988, waarop de brieven van de Gemeente van 27 maart 1988 en 28 augustus 1988 een antwoord zijn, zich niet in het dossier bevinden doet daaraan niet af. Aldus het onderdeel, dat betoogt dat de Gemeente geen beroep heeft gedaan op het ontbreken van de brieven, zodat het hof zich buiten de rechtsstrijd heeft begeven door hierop desalniettemin acht te slaan.
Onderdeel 1h betoogt dat de klacht in onderdeel 1f ook rov. 4.4 vitieert. Dat het hof in rov. 4.4 ingaat op het voorbehoud “behoudens instemming van de raad en Gedeputeerde Staten” uit de brief van 6 juni 1990, is bovendien onbegrijpelijk omdat het hier een geheel andere vraag betrof dan de vraag waarin het in deze zaak gaat, te weten de vraag of de dienstwoning onder het destijds geldende bestemmingsplan als burgerwoning mocht worden gebruikt. Zo betoogt het onderdeel.