Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] ):
( [2] )–, waarvoor zij nog geen betaling hadden ontvangen.
“ […] [betrokkene 1] B.V.”, respectievelijk
“ […] [betrokkene 1] B.V.”( [3] ). Deze betalingen voor een bedrag van in totaal € 73.292,- waren voorafgegaan door aankondiging daarvan op 27 september 2005 gericht aan [B] .
( [4] )Op andere dan de door de rechtbank daarvoor aangehouden gronden oordeelt ook het hof dat de vordering tot teruggave van de Vpb aan [A] B.V. heeft toebehoord (rov. 9 t/m 14). Verder is het hof van oordeel dat de cessie onder zodanige omstandigheden is tot stand gebracht dat de vereisten van artikel 42 FW Pro voor vernietiging van de cessie voor vervuld kunnen worden gehouden, en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] , die direct bij het bewerkstelligen van de cessie betrokken waren, onrechtmatig hebben gehandeld (rov. 15 t/m 25). Het hof beslist tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [5] )met betrekking tot de fiscale eenheid omzetbelasting (Ob) het uitgangspunt heeft geformuleerd dat een Ob-schuld en een vordering tot teruggave van Ob een deelbare schuld en vordering zijn in die zin dat de schuld en de vordering te verdelen zijn over die onderdelen van die fiscale eenheid naar gelang die onderdelen materieel aan de schuld respectievelijk de vordering hebben bijgedragen. Dat uitgangspunt heeft volgens het hof ook te gelden bij de fiscale eenheid Vpb. Het verschil in karakter tussen deze fiscale eenheid en de fiscale eenheid Ob is niet van dien aard dat het van invloed is op de gerechtigdheid tot teruggaaf overeenkomstig dat uitgangspunt. Dat betekent dat de teruggave van Vpb kan plaatsvinden aan die vennootschap binnen de fiscale eenheid inzake Vpb die materieel aan de vordering heeft bijgedragen. Die vennootschap is in het onderhavige geval, zo stelt het hof in rov. 13 vast, [A] B.V., zodat de vordering tot teruggave van de Vpb in het onderhavige geval, aldus het hof in rov. 14, aan die vennootschap toekwam.
subonderdeel 1.1wordt opgekomen tegen het aanhouden door het hof voor de fiscale eenheid Vpb van het uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arrest uit 2003 met betrekking tot de vordering tot teruggave van Ob voor de fiscale eenheid Ob heeft geformuleerd. Betoogd wordt dat het hof miskend heeft het verschil dat tussen beide fiscale eenheden bestaat niet alleen wat betreft de geaardheid van de eenheden maar ook wat betreft de wettelijke regeling van de heffing van de belasting. Dit geeft aanleiding om kort stil te staan bij die verschillen tussen beide typen fiscale eenheden.
( [6] )slechts sprake zijn in een geval waarin een ‘moedermaatschappij’ – [een entiteit met rechtspersoonlijkheid – d.w.z. met het vermogen zelf drager van rechten en plichten te zijn – als NV, BV, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij; zie nader artikel 15, lid 3 sub d] - de juridische en economische eigendom bezit van tenminste 95 procent van de aandelen in een ‘dochtermaatschappij’ – [een NV of BV; zie nader artikel 15, lid 3 sub e] - en dit bezit tenminste 95 procent van de statutaire stemrechten in de dochtermaatschappij vertegenwoordigt en in alle gevallen recht geeft op ten minste 95 procent van de winst en ten minste 95 procent van het vermogen van de dochtervennootschap. Er kan sprake zijn van meer dochtervennootschappen en ook van kleindochtervennootschappen. In een situatie als zojuist vermeld kan de heffing van de vennootschapsbelasting op verzoek van de betrokken vennootschappen geschieden alsof er één belastingplichtige is en wel in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij(en) deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Met de formule ‘alsof er één belastingplichtige is’ wordt beoogd tot uitdrukking te brengen dat de dochtervennootschap nog steeds de status van subjectief belastingplichtige heeft. Maar die status dient slechts tot het veiligstellen van de mogelijkheid om aanspraken onder verdragen, zoals de aanspraak op heffing van lagere bronbelasting of op vermijding van dubbele belasting, geldend te kunnen maken.
( [7] )De vennootschapsbelasting wordt bij de moedermaatschappij geheven; zij geldt als de belastingschuldige. Omdat de moedermaatschappij de vennootschapsbelasting verschuldigd is, doet zij aangifte (artikel 26 WVpb Pro) en wordt krachtens artikel 24 lid 2 WVpb Pro en artikel 8 lid 1 Invorderingswet Pro (Iw) het aanslagbiljet door de inspecteur der belastingen ook aan de moedermaatschappij gericht. Deze laatste heeft krachtens lid 2 van artikel 8 Iw Pro de belastingschuld in zijn geheel te voldoen. De dochtermaatschappij(en) is (zijn), zo volgt uit artikel 39 Iw Pro, wel hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschuld van de moedermaatschappij. Voor de belastingschuld van de moedermaatschappij kan dus wel verhaal worden gezocht op het vermogen van een dochtermaatschappij, maar de grond daarvoor is niet gelegen in het verschuldigd zijn door de dochtermaatschappij zelf van de belastingschuld. Dit vindt bevestiging in artikel 49 lid 1 Iw Pro en de navolgende passage uit de parlementaire geschiedenis van de Wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) d.d. 11 december 2002, Stb. 2002, 618 :
ondernemeronder bezwarende titel worden verricht. Krachtens artikel 7 lid 4 WOb Pro geldt eveneens als een ondernemer een geheel van natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die (a) op grond van het bepaalde in dit artikel ondernemer zijn, (b) in Nederland wonen of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting hebben, (c) in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, en (d) al dan niet op verzoek van één of meer van deze natuurlijke personen of lichamen door de inspecteur als één ondernemer zijn aangemerkt. Deze in artikel 7 lid 4 WOb Pro bedoelde ondernemer vormt de fiscale eenheid OB
( [9] ), maar niet een entiteit met eigen rechtspersoonlijkheid. De fiscale eenheid heeft wel een eigen BTW-nummer en zij geldt als degene, van wie de Ob wordt geheven (artikel 12 WOb Pro) en die een verzoek tot teruggave kan doen (artikel 29 e.v. WOb). Met de betrokken belastingautoriteiten worden afspraken gemaakt omtrent zaken als welk lid van de fiscale eenheid als contactpersoon fungeert. Uitbetalingen geschieden op een op de voet van artikel 7a Iw door de fiscale eenheid aangewezen rekening. Krachtens artikel 43 lid 1 Iw Pro zijn die natuurlijke personen en lichamen, die de fiscale eenheid vormen, ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de Ob die van de ondernemer/fiscale eenheid wordt geheven. Artikel 43 lid 2 Iw Pro maakt het de Ontvanger mogelijk een aan de fiscale eenheid Ob toegekende teruggaaf of vermindering Ob ook in zijn geheel bevrijdend uit te betalen aan ieder lid van de fiscale eenheid.
( [10] )
subonderdeel 1.2worden nog klachten aangevoerd tegen rov. 14, waarin het hof aanneemt dat ook de Belastingdienst ervan is uitgegaan dat de vordering tot teruggave van Vpb aan [A] B.V. toebehoorde, nu zij de teruggaven vennootschapsbelasting op grond van de akte van cessie heeft betaald aan [eiseres 1] .
subonderdeel 2.1wordt aangevoerd dat het hof bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van benadeling van de schuldeisers, niet in aanmerking heeft genomen de stellingen van [eiseressen] die inhouden dat door hen bij [A] B.V. op betaling is aangedrongen mede met het oog op toekomstige dienstverlening en dat zij na de cessie ook ten behoeve van [A] B.V. werkzaamheden zijn blijven verrichten, die ertoe strekten om met ABN AMRO nadere afspraken te maken over financiering ten behoeve van [A] B.V. en om verweer te voeren tegen een omvangrijke vordering tegen [A] B.V. Door deze stellingen niet in aanmerking te nemen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het vereiste ‘benadeling’. Voor de vaststelling of er sprake is van benadeling is immers niet alleen de cessieakte maar het gehele samenstel van handelingen van belang. Althans, het hof heeft in het licht van de weergegeven stellingen zijn oordeel omtrent de benadeling ontoereikend gemotiveerd.
( [11] )Waar [eiseressen] in de vorige instanties – met name in appel in de memorie van grieven – de in subonderdeel 2.1 genoemde stellingen heeft aangevoerd, is dat niet (kenbaar) gedaan met het oogmerk om aan te tonen dat per saldo de cessie niet tot benadeling van de schuldeisers van [A] B.V. heeft geleid. Het beroep op die stellingen met het zojuist genoemde oogmerk kan in cassatie niet voor het eerst worden gedaan. Daarenboven voeren die stellingen ook niet zonder meer tot de conclusie dat het hof per saldo geen benadeling van de schuldeisers heeft mogen aannemen.
subonderdeel 2.2wordt het oordeel van het hof dat de cessie tot benadeling van de schuldeisers van [A] heeft geleid als onbegrijpelijk bestreden om de reden dat de Vpb-teruggave, indien de cessie achterwege zou zijn gebleven en deze teruggave conform het verzoek van [A] door de belastingdienst op een rekening van haar bij de Rabobank zou zijn gestort, ook zou zijn aangewend om [eiseressen] te voldoen.
“... indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte.”Het zal in hoge mate van de omstandigheden van het concrete geval afhangen of tot aanwezigheid van de vereiste wetenschap kan worden geconcludeerd. Dat geeft aan het betreffende oordeel een sterk feitelijk karakter in cassatie technische zin. De toetsing in cassatie van het betrokken oordeel zal in beginsel dan ook niet verder kunnen gaan dan tot een toetsing op begrijpelijkheid.
( [12] )
subonderdeel 2.3wordt erover geklaagd dat het hof in rov. 21 met zijn oordeel dat [eiseres 1] en [eiseres 2] wetenschap hadden van de benadeling een onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven. In dat verband wordt erop gewezen dat [eiseressen] voor het niet zien aankomen van het faillissement van [A] B.V. meer dan een jaar na het tekenen van de cessieakte stellingen hebben aangevoerd, die erop neerkomen
“dat bij het tekenen van de cessieakte besprekingen liepen met ABN-Amro inzake financiering, dat partijen erop vertrouwden dat de aanvullende financiering zou worden verleend en dat die op langere termijn de liquiditeitspositie van de vennootschap veilig zou stellen en dat eerst na het aangaan van de cessie als gevolg van beslag en/of een beslissing bij het hoofdkantoor van ABN-Amro alsnog van de financiering is afgezien.”Mocht het hof deze stellingen rechtens niet relevant hebben geoordeeld dan is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Heeft het hof dat niet geoordeeld dan heeft het zijn oordeel niet voldoende gemotiveerd.
subonderdeel 2.4betreft, daarin wordt ten aanzien van zes omstandigheden, waarop het hof in rov. 21 zijn oordeel over wetenschap van benadeling bij [eiseressen] baseert, betoogd dat het hof op basis van die omstandigheden noch afzonderlijk noch te samen tot dat oordeel heeft kunnen komen. Door dat toch te doen heeft het hof, zo wordt gesteld, blijk gegeven van een onjuiste opvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
( [13] )
subonderdeel 2.5is een klacht opgenomen waarvan, mede gelet op de toelichting erop in de Schriftelijke Toelichting sub 4.1.7 jo. 4.4.1 t/m 4.4.6, de strekking is dat, ook al zou op zichzelf aan de vereisten van artikel 42 Fw Pro zijn voldaan, dat toch geen voldoende aanleiding geeft voor vernietiging van de cessie en het aannemen van een onrechtmatig handelen bij [eiseres 1] en [eiseres 2] . Er bestond een rechtvaardiging voor het door middel van de cessie voldoen van hun schulden. Hun werkzaamheden hadden immers betrekking op pogingen tot afwending van een faillissement van [A] B.V. Die omstandigheid billijkt dat, hoezeer ten aanzien van de cessie aan artikel 42 Fw Pro werd voldaan, om de schulden van [A] B.V. aan [eiseres 1] en [eiseres 2] te voldoen en schulden aan andere schuldeisers niet.