Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
primairin geschil of de mededeling van het geboekte bedrag bij wege van de tweede utb heeft plaatsgevonden binnen de in artikel 221, lid 3, van het CDW voorgeschreven termijn van drie jaar, meer in het bijzonder of deze termijn wordt geschorst door het instellen van hoger beroep, voor de duur van de appelprocedure.
Subsidiairis tussen partijen in geschil of de utb moet worden vernietigd omdat het daarop vermelde bedrag niet overeenstemt met het bedrag van de oorspronkelijke boeking, dan wel – zo aan de utb een nieuwe boeking ten grondslag zou liggen – omdat de boeking buiten de geldende boekingstermijn heeft plaatsgevonden.
Meer subsidiairis voor het Hof in geschil of de utb moet worden vernietigd omdat het geboekte bedrag van de douaneschuld niet onmiddellijk na de boeking aan belanghebbende is medegedeeld.
4.Het geding in cassatie
eerste middelricht zich met rechtsklachten tegen het oordeel van het Hof dat de in artikel 221, lid 3, van het CDW opgenomen bepaling betreffende de schorsende werking van het beroep, mede het hoger beroep omvat. Ter toelichting voert belanghebbende aan dat uit de bewoordingen van artikel 243 van Pro het CDW – waarnaar artikel 221, lid 3, van het CDW verwijst – volgt dat met ‘beroep’ uitsluitend wordt bedoeld het beroep van een persoon tegen beschikkingen van de
douaneautoriteiten. Voorts betoogt belanghebbende dat de nationale uitwerking van de beroepsprocedure in douanezaken wel voorziet in schorsende werking van de uitspraak van de rechtbank ingeval hoger beroep wordt ingesteld, maar niet ziet op schorsing van termijnen. Mocht de Nederlandse wetgeving zo moeten worden uitgelegd dat deze (ook) betrekking heeft op schorsende werking voor het verlopen van de mededelingstermijn, dan meent belanghebbende dat dit in strijd is met de algemene rechtsbeginselen die in het CDW zijn gecodificeerd, dan wel daarop een ongeoorloofde nationale uitbreiding vormt, nu dit ingaat tegen de belangen van degene die het beroep heeft ingesteld.
tweede middelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de mededeling aan de douaneschuldenaar niet onmiddellijk na de boeking, maar ook in een later stadium kan plaatsvinden. Volgens belanghebbende is deze uitlegging van artikel 221, lid 1, van het CDW in strijd met rechtspraak van het HvJ.
derde middelbestrijdt belanghebbende ’s Hofs uitlegging van de uitwerking van een mogelijke nieuwe boeking op de (mededelings)termijn, indien de correcties in de utb als één boeking zijn opgenomen in de administratie van de douane, en niet – zoals het Hof heeft geoordeeld – als een verzameling van boekingen. In haar toelichting op dit middel betoogt belanghebbende dat in het geval de correctie op de verschillende aangiften zijn opgenomen in één boeking, het geboekte bedrag onjuist was, en daarmee ook de boeking, zodat een nieuwe boeking moet hebben plaatsgevonden, dan wel een aanpassing van de ‘oude’ boeking, welke dan als nieuwe boeking moet worden aangemerkt. Als er een nieuwe boeking heeft plaatsgevonden, dan moeten, aldus belanghebbende, de bepalingen van het CDW op deze nieuwe boeking worden toegepast. De ‘oude’ boeking is nietig, en daarom is ook de voorafgaande rechtsgang waarin de onjuiste (‘oude’) boeking in geding was niet langer relevant. Het Hof heeft volgens belanghebbende dan ook ten onrechte geconcludeerd dat de termijn van het beroep tegen de oude boeking [9] moet worden aangemerkt als een periode waarvan de termijn geschorst was.
5.Boeking en mededeling (tweede middel)
door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling’ (artikel 7:6, lid 1, van de Algemene Douanewet).
6.Correctie van de boeking (derde middel)
Schorsende werking ‘beroep’ op de termijn voor mededeling douaneschuld (eerste middel)
Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor Pro de duur van de procedure van beroep.”
twee jaar(en niet drie jaar) na het vaststellen van de douaneschuld. Op grond van het Wijzigingsvoorstel moest:
binnen twee jaarnadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt
opgeschort vanaf het tijdstip dat beroep in de zin van artikel 243 wordt Pro ingesteld, voor de duur van de procedure van beroep.”
financiële belangen van de Gemeenschap[die] beschermd dienen te worden tegen langdurige rechtsprocessen en tegen de algehele ongeldigheid van een mededeling omdat een deel van de medegedeelde schuld is verjaard;” [33]
de belastingschuldige– met name de zekerheid dat na die termijn, om in Nederlandse termen te spreken, geen utb meer kan worden uitgereikt – zijn gediend met de driejaarstermijn (in het Wijzigingsvoorstel nog twee jaar) waarbinnen mededeling moet plaatsvinden, terwijl de schorsende werking van ingesteld beroep vooral de financiële
belangen van de Uniedient: die belangen zijn er immers mee gebaat dat een beroepsprocedure niet ertoe leidt dat wegens overschrijding van de (twee- of) driejaarstermijn een douaneschuld niet meer (opnieuw) (na)gevorderd kan worden.
kanworden uitgeoefend (artikel 243 van Pro het CDW, zie hierna in punt 7.2.4) en dat de invulling daarvan aan de lidstaten wordt overgelaten (artikel 245):
niet alleen een geval apart omdat de nationale procedures soms zeer uiteenlopend zijn, maar ook omdat deze vaak tegelijkertijd van toepassing zijn op het gehele nationale administratief of belastingrecht. Door het recht op beroep uitsluitend op het gebied van douanewetgeving te harmoniseren, worden tot dusverre uniforme nationale regelingen inzake het recht op beroep gesplitst. Bij de bepaling van de lengte van de termijnen voor het instellen van beroep zou rekening moeten worden gehouden met de grootte van en het grote aantal talen in de Europese Gemeenschap.”
beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteitendie betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. (…)
beslissingen van de douaneautoriteitenbetreft, en is toegekend aan (niet helemaal zuiver gezegd)
de belastingplichtige(en dus niet aan de douaneautoriteiten). Grammaticaal gezien suggereert dit dat de Europese wetgever met het begrip ‘beroep’ doelt op de mogelijkheid voor de belastingplichtige om op te komen tegen beslissingen van de douaneautoriteiten. Dat kan bij de douaneautoriteiten zelf (fase 1), en, als de belastingplichtige in die eerste fase nul op het rekest heeft gekregen bij de douaneautoriteiten, vervolgens in en tweede fase bij een onafhankelijke instantie (fase 2). Dit lijkt ook in overeenstemming met hetgeen de Commissie in het VCDW voor ogen had (vgl. punt 7.2.1 van deze conclusie), waarin het – door het VCDW gedirigeerde beroep – lijkt te hebben gelopen tot en met de afloop van de tweede fase. [38] De rechtsingangen die de belastingplichtige én de douaneautoriteiten naar nationaal recht daarná nog hebben, vallen dan buiten het begrip ‘beroep’ in de zin van artikel 243 van Pro het CDW (en dus buiten de schorsende werking van artikel 221, lid 3, van het CDW). Het gaat dan immers niet meer om een recht van (alleen) de belastingplichtige om tegen beslissingen van de douane op te komen, maar om een in nationaal procesrecht opgenomen recht van elk van beide partijen – belastingplichtige én douane – om tegen de beslissing van de onafhankelijke instantie (de rechter) op te komen.
van de douaneautoriteiten.
tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, wanneer deze regeling noch het gelijkwaardigheidsbeginsel, noch het doeltreffendheidsbeginsel schendt”
besluiten van de douaneautoriteiten.Uit de overweging kan echter naar ik meen niet zonder meer worden afgeleid dat de beroepsprocedure in de zin van artikel 243 van Pro het CDW alleen
kanzien op appellen tegen beslissingen van de douaneautoriteiten: daarop waren de vragen niet gericht.
de tenuitvoerlegging van de in artikel 243 van Pro dit wetboek bedoelde beroepsprocedure worden vastgesteld door de lidstaten, staat vast dat het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procesregels voor deze beroepen vast te stellen (…)”
8.De middelen
Conclusie