Conclusie
mr. Antonie van Heesen
mr. Catharina Maria Harmsen,
1.Feiten en procesverloop
S.V.P. bijschrijven bij de hoofdsom;”
S.V.P. € 200.000,- overmaken op mijn bankrekening (...) en de rest a € 1.327.255 blijft als hoofdsom”
De grieven IV tot en met VI in het incidentele appel (nietige rechtshandelingen)
(2)Vastgesteld kan worden dat partijen telkens op het fundament van de oorspronkelijke overeenkomst voortbouwden, doordat zij, op basis van de door [betrokkene] vermelde gegevens en naar keuze van [verweerder] , de hoofdsom (die het onderwerp van de beleggingsovereenkomsten uitmaakte) nader bepaalden en tevens vaststelden welk gedeelte van het door [betrokkene] opgegeven rendement voor onmiddellijke uitkering werd bestemd (welke uitkering dan ook binnen afzienbare tijd volgde).
(3)[verweerder] heeft op grond van de inhoud van de door [betrokkene] verstrekte overzichten en bij gebreke van concrete waarschuwingssignalen als hiervoor besproken, er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de door [betrokkene] opgegeven rendementen, zoals overeengekomen, daadwerkelijk uit beleggingen in Japanse warrants afkomstig waren en dat [betrokkene] daarmee voldeed aan een verplichting waartoe hij op grond van hetgeen tussen partijen was overeengekomen gehouden was.
(4)Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat dit vertrouwen aan een vordering uit onverschuldigde betaling in de weg staat.
(5)Een vordering van [betrokkene] tot terugbetaling door [verweerder] van de als rendementen aan [verweerder] uitgekeerde bedragen op de grond dat de facto niet werkelijk was belegd, zou in de gegeven omstandigheden niet toewijsbaar zijn.
(6)Dit brengt mee dat ook aan de curator geen vordering uit onverschuldigde betaling toekomt.
(7)Grief VII kan niet slagen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
clawback-actie, gericht tegen een van de deelnemers van het door [betrokkene] opgezette piramidespel die daarvan (fors) hebben geprofiteerd in die zin dat zij door [betrokkene] (veel) meer uitbetaald hebben gekregen dan zij hebben ingelegd.
beleggings’overeenkomst, waarbij de belegger een bedrag ter beschikking stelt om voor zijn rekening en risico te beleggen en recht heeft op uitkering van de rendementen van de beleggingen, dan wel van – anderzijds – een overeenkomst van
geldleningwaarbij de geldgever recht heeft op teruggave van het uitgeleende bedrag en betaling van een overeengekomen rentevergoeding (ongeacht het resultaat van de met het geleende verworven beleggingen).
wegens in onderpand genomen gelden” tegen een in de schuldbekentenis genoemde rente het eveneens in de schuldbekentenis genoemde “hoofdbedrag” verschuldigd te zijn. De curator betoogde dat de verschuldigdheid van rente afhankelijk was van het succes van de beleggingen en dat nu vaststond dat de gelden niet waren belegd, ook geen rente verschuldigd was. Het hof overwoog dat [E] er weliswaar vanuit gegaan was dat de gelden lucratief zouden worden belegd en dat de daarop te behalen rendementen de bron zouden zijn voor de rentebetalingen, maar dat er geen enkele aanwijzing bestond dat [E] de overeenkomsten zo heeft moeten opvatten dat deze [betrokkene] verplichtten tot belegging dan wel dat alleen rentebetalingen verschuldigd zouden zijn als daadwerkelijk werd belegd en rendement werd behaald. De omstandigheid dat [E] ervan uitging dat de gelden zouden worden belegd (waarbij [betrokkene] hem voorhield dat de hoge rendementen op valutahandel en grondspeculaties de hoge rentepercentages mogelijk maakten) maakt niet dat de overeenkomsten zelf in wezen als beleggingsovereenkomsten moeten worden beschouwd. Derhalve zijn de betalingen gedaan ter voldoening van contractuele verplichtingen, aldus het hof. [21]
speculatie’ontvangen gelden en de uitkering van ‘
winst’, maakt die van 5 mei 2003 gewag van een garantstelling ter ‘terugbetaling van het
geleendebedrag’. Curatoren hebben zich sterk gemaakt voor de kwalificatie ‘lening’, zulks met name in het kader van hun betoog dat, anders dan te doen gebruikelijk, [betrokkene] degene was die het risico van de beleggingen droeg. [22] Op de daartoe strekkende incidentele grieven van curatoren heeft het hof feitelijk vastgesteld dat de bedragen zijn verstrekt op basis van geldleningsovereenkomsten ten behoeve van belegging (rov. 2.1), waarbij in het algemeen nog werd vastgesteld dat [betrokkene] zijn kredietverstrekkers voorhield dat hij door profijtelijke beleggingen in staat zou zijn zeer hoge rentevergoedingen te betalen (rov. 2.2). Anders dan in de zaak [C] q.q./ [E] heeft dit het hof echter niet gebracht tot de aanname van een directe contractuele grondslag voor de betalingen. Het onderscheidt de in dit geval ‘voorgewende rendementen’ uitdrukkelijk van de in de zaak [C] q.q./ [D] ‘bedongen rente’ (rov. 4.2) en gaat bij zijn beoordeling van de vordering uit onverschuldigde betaling uit van hetgeen partijen stilzwijgend tot uitgangspunt namen, namelijk dat de oorspronkelijke overeenkomsten
secbij gebreke van daadwerkelijke beleggingen en rendementen geen grondslag voor een betalingsverplichting vormden. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
“de betalingen aan [verweerder] telkens betalingen door [betrokkene] uit hoofde van de voldoening van een schuld betroffen die in de verhouding tussen [betrokkene] en [verweerder] heeft te gelden als een opeisbare schuld als bedoeld in art. 47 Fw Pro”(cassatiedagvaarding nr. 38).
nadere overeenkomsten’ opleverden (rov. 4.9). Curatoren hebben voormeld betoog van [verweerder] bestreden met de stelling dat een schuldbekentenis geen zelfstandige grondslag kan zijn voor een betalingsverplichting, maar slechts een
bewijsstukis van een (beweerdelijke) schuld [24] , aan welk betoog het hof heeft gerefereerd in rov. 4.7.
a)vastgesteld dat beide partijen – [betrokkene] en [verweerder] – telkens op het fundament van de oorspronkelijke overeenkomst
voortbouwden,
b)doordat zij, op basis van de door [betrokkene] vermelde gegevens en naar keuze van [verweerder] , de hoofdsom (die het onderwerp van de beleggingsovereenkomsten uitmaakte)
nader bepaaldenen tevens
vaststeldenwelk gedeelte van het door [betrokkene] opgegeven rendement voor onmiddellijke uitkering werd bestemd (welke uitkering dan ook binnen afzienbare tijd volgde), waarbij, naar het oordeel van het hof,
c)[verweerder] op grond van de
inhoudvan de door [betrokkene] verstrekte overzichten en bij gebreke van concrete
waarschuwingssignalenals eerder door het hof besproken [25] , er gerechtvaardigd op heeft mogen
vertrouwendat de door [betrokkene] opgegeven rendementen, zoals overeengekomen, daadwerkelijk
uit beleggingen in Japanse warrants afkomstig warenen dat [betrokkene] daarmee
voldeed aan een verplichtingwaartoe hij op grond van hetgeen tussen partijen was overeengekomen gehouden was,
d)welk vertrouwen, zoals de rechtbank heeft overwogen, aan een vordering uit onverschuldigde betaling
in de wegstaat.
a)tot en met
d)van het geval – waaronder ook hetgeen zich na het sluiten van de oorspronkelijke overeenkomsten telkenmale tussen partijen heeft afgespeeld –, geoordeeld dat in de rechtsverhouding tussen partijen een rechtsgrond voor de betalingen door [betrokkene] aan [verweerder] besloten lag. [26]
“een schuld”die
“in de verhouding tussen [betrokkene] en [verweerder] heeft te gelden als een opeisbare schuld in als bedoeld in art. 47 F”, van oordeel is geweest dat er geen (opeisbare) schuld van [betrokkene] aan [verweerder] bestond maar dat – (a) gelet op het door [betrokkene] (welbewust) bij [verweerder] gewekte vertrouwen dat er een rechtsgrond bestond [27] dan wel (b) om enige andere reden – in hun onderlinge verhouding heeft te gelden dat sprake was van een opeisbare schuld in de zin van art. 47 Fw Pro en de betalingen aan [verweerder] daarom niet kunnen worden beschouwd als een onverplicht verrichte rechtshandeling als bedoeld in art. 42 Fw Pro. Het subonderdeel klaagt dat het hof in dat geval heeft miskend dat de betalingen, nu zij niet berustten op een uit wet of overeenkomst voortvloeiende verplichting, moeten worden gekwalificeerd als onverplichte rechtshandelingen in de zin van art. 42 Fw Pro en dat daaraan niet kan afdoen de (enkele) door het hof vastgestelde omstandigheid dat [betrokkene] bij [verweerder] (welbewust) het vertrouwen heeft gewekt dat er wel een rechtsgrond voor de betalingen bestond, noch het oordeel van het hof (in rov. 4.9) dat toewijzing van de vordering tot terugbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus subonderdeel 1.2.
a)t/m
d)genummerde) omstandigheden van het geval, een rechtsgrond bestond voor de betalingen van [betrokkene] aan [verweerder] . Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het betoogt dat tegen die achtergrond de betalingen niettemin als onverplicht verrichte rechtshandelingen in de zin van art. 42 Fw Pro moeten worden gekwalificeerd. Tenslotte heeft het hof niet geoordeeld dat toewijzing van de vordering tot terugbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals subonderdeel 1.2 (nr. 43) nog veronderstelt. Ik verwijs verder naar hetgeen ik hierboven naar aanleiding van subonderdeel 1.1 reeds heb opgemerkt.
eersteklacht (nr. 44) neemt tot uitgangspunt dat genoemd oordeel gegrond is op hetgeen het hof vervolgens in rov. 4.13-4.15 heeft overwogen en betoogt dat dit oordeel niet in stand kan blijven gelet op de voorgaande klachten tegen die rov. 4.13-4.15.
tweedeklacht (nr. 45) berust op de lezing dat het oordeel in rov. 4.10 op enige andere grond gebaseerd is en luidt dat dit oordeel niet in stand kan blijven omdat uit het arrest niet blijkt welke grond dit dan zou zijn en het oordeel daarom niet naar behoren gemotiveerd is. De
derdeklacht (nr. 46) veronderstelt dat het oordeel is gebaseerd op de (door [verweerder] verdedigde) opvatting dat een Peeters/Gatzen-vordering alleen kan worden ingesteld indien zij strekt tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad en niet ook indien zij – zoals in het onderhavige geval – strekt tot vergoeding van schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van de gezamenlijke schuldeisers; zij klaagt dat dat oordeel onjuist is omdat ook die opvatting onjuist is.
“zonder oorzaak”kunnen worden aangemerkt en evenmin waarom de verrijking het gevolg zou zijn van
“deze beleggingsovereenkomst”,zodat het oordeel in rov. 4.14 en rov. 4.15 reeds daarom zonder nadere motivering niet te begrijpen valt (nr. 51).
subonderdeel 1.5richt zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen rov. 4.14-4.15. Daartoe wordt aangevoerd het hof niet (kenbaar) is ingegaan op het door curatoren in MvA/MvG inc. nr. 98 jo. 96 gevoerde betoog dat er verschillende (t.a.p. opgesomde) feiten en omstandigheden zijn in het licht waarvan de beleggingsovereenkomst, ook indien aangenomen zou moeten worden dat daaruit voor [betrokkene] wel de verplichting voortvloeide om aan [verweerder] de bedragen te betalen die hij als rendement aan hem heeft uitgekeerd, niet kan gelden als een (voldoende) rechtvaardiging voor de verrijking die [verweerder] (ten koste van [betrokkene] zelf) heeft genoten (nr. 54). Indien het hof bij zijn oordeel in rov. 4.14-4.15 aan deze feiten en omstandigheden voorbij is gegaan omdat zij volgens het hof niet relevant (kunnen) zijn bij de beoordeling van de vordering van curatoren uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking ten koste van [betrokkene] zelf, heeft het hof daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zo zou onjuist zijn de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de verrijkte zijn verrijking afleidt uit een overeenkomst die hij met de verarmde heeft gesloten, de verrijking (steeds) rechtvaardigt. Indien het hof wel van een juiste rechtsopvatting uitgegaan, dan is zijn oordeel in rov. 4.14-4.15 in het licht van deze omstandigheden zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus subonderdeel 1.5 (nr. 55).
subonderdeel 2.1opgekomen tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.9, vierde en volgende volzinnen, die ik voor de overzichtelijkheid opnieuw aanhaal (met door mij aangebrachte nummering):
(4)Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat dit vertrouwen aan een vordering uit onverschuldigde betaling in de weg staat.
(5)Een vordering van [betrokkene] tot terugbetaling door [verweerder] van de als rendementen aan [verweerder] uitgekeerde bedragen op de grond dat de facto niet werkelijk was belegd, zou in de gegeven omstandigheden niet toewijsbaar zijn.
(6)Dit brengt mee dat ook aan de curator geen vordering uit onverschuldigde betaling toekomt.
(7)Grief VII kan niet slagen.”
eersteis het hof bij beoordeling van de vraag of toewijzing (althans, het instellen) van de vordering van curatoren uit hoofde van onverschuldigde betaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (althans, bij beoordeling van de vraag of die vordering in de gegeven omstandigheden toewijsbaar is) niet ingegaan op de omstandigheden die curatoren hebben gesteld ter onderbouwing van hun betoog dat het toewijzen/instellen van hun vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [32] Daardoor geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans geeft het hof een oordeel dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het hof miskent (daarmee) (eveneens) dat het oordeel dat toewijzing (althans, het instellen) van een bestaande vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, een tot terughoudendheid nopende maatstaf veronderstelt en/of dat aan een zodanig oordeel hoge motiveringseisen worden gesteld (nr. 69-70).
tweedeis onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof, zonder de door curatoren in cassatiedagvaarding nr. 69 genoemde omstandigheden in zijn beoordeling te betrekken, aan zijn vaststelling dat een vordering van [betrokkene] tot terugbetaling door [verweerder] van de als rendementen aan [verweerder] uitgekeerde bedragen in de gegeven omstandigheden niet toewijsbaar zou zijn (zin 5) zonder meer de gevolgtrekking verbindt dat ook aan curatoren geen vordering uit onverschuldigde betaling toekomt (zin 6). Het hof miskent daarmee dat curatoren niet alleen opkomen voor de belangen van [betrokkene] maar in het bijzonder ook voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers (nr. 71).
derdeheeft het hof bij zijn beoordeling van de vraag of de door curatoren ingestelde vordering uit onverschuldigde betaling toewijsbaar is, een toetsing
ex tunctoegepast. Daarmee heeft het miskend dat de toetsing
ex nuncdient te geschieden. Indien het hof wel een toetsing ex nunc heeft toegepast, is zijn oordeel in de zesde zin van rov. 4.9 onjuist, althans, zonder nadere motivering onbegrijpelijk, gelet op de door curatoren in nr. 69 aangevoerde omstandigheden (nr. 72).
vierdeklacht signaleert dat het hof in rov. 4.9 niet de maatstaf vermeldt die het hof had moeten toepassen om tot het oordeel te komen dat de vordering van curatoren uit hoofde van onverschuldigde betaling niet toewijsbaar is, te weten dat de toewijzing c.q. het instellen van die vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris. Indien het hof het in rov. 4.8 (derde zin) weergegeven verweer heeft gehonoreerd en/of het hof anderszins van oordeel is geweest dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling niet toewijsbaar is op de (enkele) grond dat “de redelijkheid en billijkheid zich verzetten” tegen toewijzing/instelling van die vordering, heeft het hof een verkeerde maatstaf toegepast (nr. 73).
vijfdeheeft het hof miskend dat het toewijzen althans instellen van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling (in beginsel) alleen dan naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is (althans, kan zijn) op de grond dat degene die heeft betaald bij de ontvanger van de betaling het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat er een rechtsgrond voor de betaling bestond, indien (en voor zover) vaststaat dat de ontvanger, door terugbetaling (althans, door de verplichting om terug te betalen) van hetgeen hij heeft ontvangen in een
nadeliger positiezou komen te verkeren dan wanneer de betaling niet zou hebben plaatsgevonden (nr. 74).