Conclusie
1. Feiten en procesverloop
te verlaten en te ontruimen, het gehuurde in goede staat aan [eiser] op te leveren en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen en het gehuurde na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden”, met machtiging van [eiser]
“die ontruiming en het ontruimd en verlaten houden”zo nodig zelf op kosten van [verweerder] te (doen) bewerkstelligen;
(2)gevorderde verminderd tot een bedrag ad € 2.211,65. [7]
“– samengevat – ontruiming”van het gehuurde (rov. 3.1). Zij heeft overwogen dat het spoedeisend belang in voldoende mate voortvloeit uit de aard van de vordering en de stellingen van [eiser] (rov. 4.1). Het verrekeningsverweer van [verweerder] heeft zij verworpen (rov. 4.3). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt zowel de hoogte van de totale huurachterstand als het – na de onder 1.1-e genoemde betaling – nog openstaande bedrag van € 1.206,65 aan huurpenningen de gevorderde ontruiming (rov. 4.4).
te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen”,met machtiging van [eiser]
“de ontruiming” zo nodig zelf te (doen) bewerkstelligen op kosten van [verweerder] (rov. 5.1), en [verweerder] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.206,65, te vermeerderen met de wettelijke rente (rov. 5.2) en tot betaling van de maandelijkse huur ad € 500,- zolang [verweerder] nog over de woning beschikt (rov. 5.3). Zij heeft [verweerder] veroordeeld in de proceskosten (rov. 5.4), de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard (rov. 5.5) en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 5.6).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ2001, 389).” [15]
NJ2007/188). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen) (vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050,
NJ1993/714).”
“het door [eiser] gestelde belang bij de gevorderde voorziening tot ontruiming (...) ook zonder de toewijzing van diens vordering wordt veiliggesteld, zodat deze voorziening niet meer behoeft te worden getroffen”, waartoe het hof heeft overwogen dat [verweerder]
“immers het gehuurde [heeft] verlaten en (...), ongeacht de beslissing van het hof in deze zaak, niet in het gehuurde [zal] terugkeren.”(rov. 4.9). Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen (A.1 en A.2).
“de gevorderde voorziening tot ontruiming”. Het berust op de lezing dat het hof, mede gelet op zijn rov. 4.2 (aangehaald hiervoor onder 1.7), heeft geoordeeld dat [eiser] (slechts) de
ontruimingvan de woning heeft gevorderd, en niet (ook) het ontruimd en verlaten
houdendaarvan. Geklaagd wordt dat deze uitleg onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stellingen van [eiser], waartoe wordt verwezen naar het (hiervoor onder 1.2 aangehaalde) petitum zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding (p. 6, sub 1) en in de pleitaantekeningen in eerste aanleg (p. 3, sub 1).
“samengevat”als een vordering tot
“ontruiming”(vonnis, rov. 3.1). In het partijdebat in eerste aanleg is geen onderscheid gemaakt tussen (de toewijsbaarheid van) de vordering tot ‘ontruiming’ en die tot het ‘ontruimd houden’. Ook de overwegingen van de voorzieningenrechter geven geen blijk van een dergelijk onderscheid. Het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter laat mijns inziens dan ook geen andere uitleg toe dan dat de als zodanig samengevatte ‘ontruimings’vordering van [eiser] in haar geheel is toegewezen, het gevorderde ‘ontruimd houden’ daaronder begrepen. Waar het hof dan vervolgens in zijn rov. 4.2 vaststelt dat [eiser]
“in eerste aanleg – kort weergegeven – (...) gevorderd”heeft [verweerder] te veroordelen tot
“ontruiming”en in rov. 4.3 vaststelt dat de voorzieningenrechter
“– kort weergegeven – de gevorderde ontruiming”heeft toegewezen, doelt het hof klaarblijkelijk op de (toewijzing van de) door de voorzieningenrechter “samengevat” weergegeven vordering tot ontruiming en het ontruimd houden in haar geheel. Daarbij heeft het hof, anders dan het middel veronderstelt, mede de stellingen van [eiser] omtrent het verbeuren van dwangsommen in zijn overwegingen betrokken (rov. 4.8). In de visie van het hof bestaat bij de vordering voor zover betrekking hebbend op het ‘ontruimd houden’ echter geen belang nu [verweerder] zelf heeft aangegeven aan de last gevolg te zullen
blijvengeven (rov. 4.8) en hij dus niet in het gehuurde zal
terugkeren(rov. 4.9), of, anders gezegd, nu het gehuurde ontruimd zal blijven.
getroffen”(rov. 4.9) respectievelijk voor “
toewijzing”in aanmerking komt (rov. 4.5). Geklaagd wordt dat het hof aldus heeft miskend dat het, nu de voorziening in eerste aanleg door de voorzieningenrechter reeds was toegewezen, had te beoordelen of [eiser] in hoger beroep belang had bij het
continuerenvan die toegewezen voorziening. Verwezen wordt naar de hiervoor onder 2.2.2 aangehaalde kanttekening van Snijders bij het arrest van Uw Raad van 31 mei 2002. Althans zou ’s hofs oordeel dat het belang van [eiser] bij continuering van de voorziening – waaronder het middel blijkt te verstaan: het ontruimd
houden– in appel vervallen is, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn.
NJ2002/343 heeft Uw Raad, zoals aangehaald hiervoor onder 2.2.2, geoordeeld dat hetzij na toewijzing hetzij na afwijzing van een in kort geding verlangde voorziening, in hoger beroep moet worden geoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Het hof heeft die maatstaf expliciet tot uitgangspunt genomen (rov. 4.5) en vervolgens toegepast (rov. 4.9). Het hof heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat het, wanneer de gevorderde voorziening in eerste aanleg reeds is toegewezen, wellicht zuiverder is om te spreken van de vraag of de voorziening moet worden ‘gecontinueerd’ dan van de vraag of deze moet worden ‘toegewezen’ dan wel ‘getroffen’. In het arrest van 31 mei 2002 is door Uw Raad tot uitdrukking gebracht dat door de appelrechter moet worden beoordeeld of het standpunt van eiser dat hij bij de verlangde voorziening belang heeft, (ook) ten tijde van de beoordeling in hoger beroep (ex nunc) (nog) honorering verdient. Dat is precies wat het hof heeft gedaan, en wel met betrekking tot zowel de gevorderde ontruiming als het gevorderde ontruimd houden (zie hiervoor onder 2.6).
houdenvan de woning onbehandeld heeft gelaten, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel A.1 (hiervoor onder 2.6).
houdenvan de woning ten tijde van zijn beoordeling geen belang meer bestaat, gebaseerd op de omstandigheden dat [verweerder] het gehuurde heeft verlaten, dat de aan [verweerder] opgelegde last onder dwangsom formele rechtskracht heeft gekregen, dat [verweerder] gesteld heeft aan die last gevolg te zullen blijven geven – hetgeen alles namens [eiser] was gesteld [26] – en dat hij dus, ongeacht de beslissing van het hof, niet in het gehuurde zal terugkeren (rov. 4.8 en 4.9). Dit feitelijk oordeel behoeft geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
onderdeel Craakt het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ook rov. 5.1 en 5.2 alsmede het dictum van het arrest. Nu de voorgaande klachten niet slagen, kan ook onderdeel C niet tot cassatie leiden. Het onderdeel bevat geen zelfstandige klacht tegen de proceskostenveroordeling in appel (rov. 5.2).