Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer dat ertoe strekt dat het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte onrechtmatig is, aangezien art. 94 Sv Pro daarvoor een onvoldoende wettelijke grondslag biedt, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
grosso modoovereen met die in de andere conclusies. Aandacht wordt besteed aan de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen, in het bijzonder computers. Vervolgens wordt stilgestaan bij de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van art. 8 EVRM Pro. Ook zal een blik over de grens worden geworpen teneinde te bezien hoe in andere landen met de voorliggende, niet tot Nederland beperkte, problematiek wordt omgegaan. Ten slotte keer ik terug naar de voorliggende zaak.
Juridisch kader; rechtspraak Hoge Raad
NJ1986/214 m.nt. ’t Hart was sprake van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv. In de procedure bij de rechtbank werd onder meer geklaagd over het gebruik van de in beslag genomen computer en discs. Dit gebruik bestond uit het maken van een uitdraai van een bestand van eveneens in beslag genomen videobanden. Naar aanleiding van deze klacht overwoog de rechtbank het volgende:
NJ1992/50, m.nt. Corstens was sprake van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv naar aanleiding van de inbeslagneming, na een bevel tot uitlevering van de rechter-commissaris, van banden met opnamen die tijdens een uit de hand gelopen demonstratie waren gemaakt door een cameraploeg van RTL-Veronique. De Hoge Raad overwoog het volgende [6] :
NJ1994/577 m.nt. Schalken. Daarbij moet worden aangetekend dat het middel in deze zaak was toegespitst op het vermeende ontbreken van een wettelijke basis voor het onderzoek. In deze zaak waren onder de verdachte zakcomputers in beslag genomen. De Hoge Raad overwoog het volgende:
some basis in domestic law’ heeft. De term ‘
law’ moet niet in formele, maar in materiële zin worden verstaan. De uitleg en de toepassing van het nationale recht door de nationale gerechten worden daarbij door het EHRM in beginsel gerespecteerd. [10] In dit verband kan worden gewezen op de zaak Wieser en Bicos Beteiligungen GmbH tegen Oostenrijk, [11] waarin het EHRM – in het kader van de vraag of de inbreuk ‘
some basis in domestic law’ heeft – betrekt dat de nationale gerechten de wetgeving ten aanzien van beslag op voorwerpen en documenten ook van toepassing hebben verklaard op elektronische gegevens.
compatible with the rule of law’ is, staat in nauw verband met het vereiste van voorzienbaarheid. Het houdt in dat het nationale recht bescherming moet bieden tegen willekeurige inmenging in de rechten van art. 8, eerste lid, EVRM. [14] In een geval als het onderhavige is vereist dat “
the domestic law must be sufficiently clear in its terms to give citizens an adequate indication as to the circumstances in and conditions on which public authorities are empowered to resort to any such measures”. [15]
a serious interference with private life and correspondence’. Bij de toetsing van de kwaliteit van de nationale wetgeving ten aanzien van het afluisteren van telefoongesprekken betrekt het Europese Hof dat het afluisteren in het geheim plaatsvindt, hetgeen volgens het Hof het risico van misbruik en willekeur vergroot. [18]
a serious interference’ in de rechten van art. 8, eerste lid, EVRM. Ook die bevoegdheden moeten worden gebaseerd op ‘
law’ die ‘
particularly precise’ is. In de zaak Petri Sallinen e.a. tegen Finland werd het vereiste van ‘
compatible with the rule of law’als volgt betrokken bij de vraag naar de voorzienbaarheid [19] :
81. The same is not true of the third requirement, the “foreseeability” of the meaning and nature of the applicable measures.
82. The Court reiterates in that connection that Article 8 § 2 requires the law in question to be “compatible with the rule of law”. In the context of searches and seizures, the domestic law must provide some protection to the individual against arbitrary interference with Article 8 rights. Thus, the domestic law must be sufficiently clear in its terms to give citizens an adequate indication as to the circumstances in and conditions on which public authorities are empowered to resort to any such measures (…).
(…)
90. The Court would emphasise that search and seizure represent a serious interference with private life, home and correspondence and must accordingly be based on a “law” that is particularly precise. It is essential to have clear, detailed rules on the subject.”
the rule of law’:
40. The Court must examine the “quality” of the legal rules applicable to the applicant in the instant case. It notes in the first place that under Chapter 5 of the Coercive Measures Act, a search may be conducted, inter alia, if there is reason to suspect that an offence has been committed and provided the maximum sentence applicable exceeds six months' imprisonment. The search warrant is issued by the investigative organs themselves. A search may be carried out without a warrant in urgent cases.
41. With regard to the safeguards against abuse existing in Finnish legislation, the Court observes that, in the absence of a requirement for prior judicial authorisation, the investigation authorities had unlimited discretion to assess the expediency and scope of the search and seizure. Moreover, in cases of urgency, a search could be carried out even without a warrant. The Court notes that in such cases the officer conducting the search was thus competent to assess alone whether or not to conduct the search and to determine its scope.
42. The Court would emphasise in this connection that measures of search and seizure represent a serious interference with Article 8 rights and must accordingly be based on a law that is particularly precise. It is essential to have clear, detailed rules in this area, setting out safeguards against possible abuse or arbitrariness (…).
43. Turning to the present case, the Court reiterates that it has already found in the case of Sallinen and Others v. Finland (no. 50882/99, § 89, 27 September 2005) that there was no independent or judicial supervision of the issuance of the search warrant as the decision to authorise the order was taken by the police themselves (…). The same is true in the present case where the search was ordered and conducted by Border Guard officers.
44. The Court notes that the absence of a prior judicial warrant may be counterbalanced by the availability of an ex post factum judicial review (…). However, in the present case the applicant did not have any effective access, a posteriori, to a court to have both the lawfulness of, and justification for, the search warrant reviewed. The applicant's right to respect for her home was thus violated by the fact that there was no prior judicial warrant and no possibility to obtain an effective judicial review a posteriori of either the decision to order the search or the manner in which it was conducted (…).”
rule of law’, belang aan het ontbreken van een effectieve rechterlijke toetsing, zowel vooraf als achteraf. Daarbij moet worden aangetekend dat het in Petri Sallinen e.a. tegen Finland ging om de doorzoeking van het kantoor, de woning en vervoermiddelen van een verschoningsgerechtigde. Daarbij zijn niet alleen de in art. 8 EVRM Pro verankerde rechten in het geding. In de zaak Harju ging het bij de ‘
search and seizure’ in feite om een tweeledige inbreuk op de rechten van art. 8, eerste lid, EVRM: ten eerste het tegen de wil van de betrokkene fysiek betreden van plaatsen (waarbij in geval van een woning ook het huisrecht in het geding is) en ten tweede het onderzoeken van (de inhoud van) aldaar in beslag genomen voorwerpen. In zoverre is sprake van een andersoortige inbreuk op de rechten van art. 8, eerste lid, EVRM dan bij het onderzoeken van een bij de aanhouding van een verdachte op grond van art. 95 Sv Pro in beslag genomen smartphone, waarbij de eerstgenoemde inbreuk niet aan de orde is.
50. In conclusion, the Court finds that the lack of clear rules regarding the scope of the judicial review in such a situation, combined with the lack of any meaningful review of the lawfulness of and the justification for the measure, rendered the post factum judicial review ineffective for the purposes of the protection of the applicants’ rights as guaranteed by Article 8 of the Convention. Moreover, while it is true, as the Government pointed out, that the applicants did not enter any objections in the search‑and-seizure record, such an omission on their part did not relieve the domestic court from its obligation to provide a meaningful judicial scrutiny of the search and seizure, especially when subsequently the applicants made numerous complaints concerning the personal character of parts of the retained information. (…)”
72. The Court considers that such judicial review and the possibility to exclude evidence obtained from an illegal GPS surveillance constituted an important safeguard, as it discouraged the investigating authorities from collecting evidence by unlawful means. In view of the fact that GPS surveillance must be considered to interfere less with a person's private life than, for instance, telephone tapping (an order for which has to be made by an independent body both under domestic law (…) and under Article 8 of the Convention (…), the Court finds subsequent judicial review of a person's surveillance by GPS to offer sufficient protection against arbitrariness. (…).”
Grand Chambervan het Europese Hof in de zaak Sanoma de aandacht. [24] In deze zaak ging het om een bevel ex art. 96a Sv tot uitlevering van een cd-rom gericht aan de hoofdredacteur van een tijdschrift. De cd-rom werd in beslag genomen. Ten overstaan van het Europese Hof werd geklaagd dat art. 10 EVRM Pro was geschonden, in het bijzonder het daarin besloten liggende recht van journalisten op bronbescherming. Het Europese Hof oordeelde – unaniem – dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting niet bij wet was voorzien. De kwaliteit van de wet schoot volgens het Hof tekort. Daarbij was het ontbreken van een wettelijke basis voor een adequate rechterlijke toetsing van bepalende betekenis. Weliswaar had de officier van justitie in deze zaak het advies van de rechter-commissaris ingewonnen, maar een wettelijke verplichting daartoe ontbrak. Ook de toetsing in de procedure op de voet van art. 552a Sv bood geen uitkomst. Deze procedure leidde ertoe dat de cd-rom werd teruggegeven, maar niet de kopieën van de inhoud daarvan. Het cassatieberoep strandde bij gebrek aan belang, omdat de cd-rom intussen was teruggegeven. Het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke toetsing werd volgens het Europese Hof niet gecompenseerd door de toetsing in de procedure ex art. 552a Sv:
Supreme Courtzich recent in een toonaangevende uitspraak over de in het geding zijnde vraag heeft uitgesproken.
België
ter, § 1, dat betrekking heeft op het geval waarin een door de onderzoeksrechter bevolen zoeking uitgebreid wordt naar een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt.
Bundesverfassungsgerichterkende in de context van de heimelijke online doorzoeking zelfs een nieuw grondrecht: het recht op integriteit en vertrouwelijkheid van informatietechnische systemen. [45] Het wettelijk kader inzake de inbeslagneming van voorwerpen is ook met de nodige waarborgen omgeven. De centrale bepalingen ten aanzien van de inbeslagneming van voorwerpen, waaronder papieren en gegevensdragers, luiden als volgt [46] :
§ 94 Sicherstellung und Beschlagnahme von Gegenständen zu Beweiszwecken
Gefahr im Verzugmag een
Staatsanwaltof een
Ermittlungsperson [48] machtigen tot inbeslagneming. Van
Gefahr im Verzugis sprake als een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht zonder dat het doel van de inbeslagneming in gevaar komt. Ingevolge § 98, tweede lid, StPO moet de inbeslagneming binnen drie dagen door een rechter bekrachtigd worden wanneer deze zonder rechterlijke machtiging heeft plaatsgevonden.
Gefahr im Verzugis een machtiging van de S
taatsanwalttoereikend, maar deze moet binnen drie dagen door de rechter worden bekrachtigd. Alleen de rechter mag de desbetreffende poststukken openen (§ 100, derde lid, StPO). De vraag rijst of de voorwaarden van deze specifieke wettelijke bepaling ook moeten worden nageleefd als het gaat om elektronische aan de verdachte gezonden post. Het
Bundesverfassungsgerichtoordeelde in juni 2009 dat de inbeslagneming van e-mails ook op basis van de algemene beslagbepaling van § 94 StPO mogelijk is. § 94 StPO voldoet aan de vereisten van ‘
Normenklarheit und Normenbestimmtheit’ en vormt aldus een toereikende wettelijke basis voor de inbeslagneming van e-mails. Voorts staat de bepaling ook in verhouding tot het nagestreefde doel, de waarheidsvinding, zodat de inbreuk op het brief- en telefoongeheim die wordt gemaakt door e-mails in beslag te nemen gerechtvaardigd kan worden geacht. [52]
Durchsicht) aan papieren (brieven, dagboeken en andere bij de betrokkene aangetroffen geschreven teksten) en elektronische gegevensdragers die in beslag kunnen worden genomen (het derde lid van § 110 StPO). Deze voorwerpen mogen alleen aan een nader onderzoek worden onderworpen door een
Staatsanwalt, of – in zijn opdracht –
Ermittlungspersonen. [55] De
Durchsichtgaat vooraf aan een eventuele inbeslagneming en is bedoeld als middel om te onderzoeken of bepaalde papieren of gegevensdragers in aanmerking komen voor inbeslagneming. Door de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te onderzoeken op hun mate van relevantie voor de waarheidsvinding kan worden voorkomen dat voorwerpen in beslag worden genomen die uiteindelijk niet kunnen bijdragen tot het bewijs maar die wel veel informatie over het privéleven van de betrokkene bevatten. [56] Een smartphone die bij een verdachte wordt aangetroffen, mag dus niet direct door een politieambtenaar aan een nader onderzoek worden onderworpen. Voorwerpen mogen worden veiliggesteld (
vorläufige Sicherstellung) om deze later te kunnen doorzoeken op basis van § 110 StPO. Daarna kan eventueel de inbeslagneming volgen. [57]
Bundesverfassungsgericht(Bvg) uit 2005 de aandacht. Het Bvg oordeelt dat de verkeersgegevens die op een mobiele telefoon kunnen worden geraadpleegd vertrouwelijke gegevens zijn die vallen onder het in § 10, eerste lid, van de Duitse Grondwet opgenomen telefoongeheim. Inbreuken op dit recht dienen een wettelijke basis te hebben:
Straftaten von erheblicher Bedeutung’) bij telecommunicatiediensten verkeersgegevens mogen worden opgevraagd. Daartoe is een rechterlijke machtiging vereist, die in geval van
Gefahr im Verzugkan worden vervangen door een machtiging van een S
taatsanwalt. Deze regels kunnen niet worden omzeild door de gegevens op een mobiele telefoon op een andere manier te verkrijgen dan door deze op te vragen bij de telecommunicatieaanbieder, bijvoorbeeld door de telefoon in beslag te nemen en zelf de gegevens uit te lezen:
bei Gefahr im Verzugkan worden vervangen door een machtiging van een
Staatsanwalt.
Supreme Courtheeft zich specifiek uitgelaten over de inbeslagneming en doorzoeking van mobiele telefoons in aansluiting op de aanhouding van de verdachte. Op 25 juni 2014 deed het uitspraak in twee zaken:
Riley v. Californiaen
United States v. Wurie. In beide zaken stond de vraag centraal of de politie een na de aanhouding in beslag genomen mobiele telefoon mocht doorzoeken zonder over een rechterlijke machtiging (een
search warrant) daartoe te beschikken. In beide zaken ging het om een verdachte die direct na zijn aanhouding aan het lichaam werd onderzocht en bij wie een telefoon werd aangetroffen. Ten aanzien van het toepasselijke juridisch kader geldt het volgende.
Fourth Amendment) bij de Grondwet van de Verenigde Staten bepaalt dat een doorzoeking alleen mag plaatsvinden als daartoe een
search warrantbestaat. Het amendement luidt als volgt:
warrantte stellen, worden burgers beschermd tegen ongerechtvaardigde inbreuken op hun privacy. In
Katz v. United States(1967) overweegt het
Supreme Court:
per seunreasonable under the Fourth Amendment – subject only to a few specifically established and well-delineated exceptions.” [59]
search warrantniet altijd is vereist om de verdachte en diens omgeving te kunnen onderzoeken op de aanwezigheid van bepaalde voorwerpen, om vervolgens deze voorwerpen in beslag te nemen en aan een nader onderzoek te onderwerpen. De zogenaamde
search-incident-to-arrest-doctrine vormt een uitzondering op het vereiste dat doorzoeking ter inbeslagneming alleen kan plaatsvinden als daartoe een machtiging is verstrekt door een rechter. [60] Zo oordeelde het
Supreme Courtin
Chimel v. Californiadat de
search-incident-to-arrestdoctrine toestaat dat de opsporingsambtenaar zonder
search warrantde aangehouden verdachte fouilleert en zaken in beslag neemt die het mogelijk maken voor de verdachte om te ontsnappen of zich te verzetten tegen de opsporingsambtenaar, zoals wapens. [61] Op deze in de rechtspraak van het
Supreme Courtontwikkelde doctrine is van de kant van de Staat in
Riley v. Californiaen
United States v. Wurieeen beroep gedaan om de inbeslagneming en het onderzoek aan de bij de verdachten aangetroffen mobiele telefoons te rechtvaardigen.
Riley v. United Statesen
United States v. Wuriestond de vraag centraal of de
search-incident-to-arrest-exceptie kan worden toegepast op het onderzoek aan een naar aanleiding van de rechtmatige aanhouding van de verdachte in beslag genomen mobiele telefoon.
Supreme Courtvan de Verenigde Staten plaatst de beoordeling van de vraag of mobiele telefoons mogen worden doorzocht op hun inhoud zonder
search warrantin de sleutel van de redelijkheid (
reasonableness). Slechts in één van de twee zaken gaat het om de doorzoeking van een smartphone. Hoewel het
Supreme Courtoverweegt dat een smartphone meer privacygevoelige informatie bevat dan een “gewone” mobiele telefoon en de uitspraak vooral op de smartphone en de hoeveelheden hierop opgeslagen gegevens lijkt te zijn toegesneden, wordt in het vervolg van de uitspraak geen onderscheid gemaakt tussen soorten mobiele telefoons: in beide zaken neemt het
Supreme Courtaan dat een doorzoeking van de telefoon niet zonder rechterlijke machtiging had mogen geschieden.
United States v. Robinsonoordeelde het
Supreme Courtspeelde over het onderzoeken van het lichaam van de verdachte na diens aanhouding en het doorzoeken van een op zijn lichaam aangetroffen voorwerp, te weten een pakje waarin sigaretten hadden gezeten. Het
Supreme Courtoordeelde in
United States v. Robinsondat wanneer een opsporingsambtenaar de verdachte aanhoudt, hij het lichaam van de verdachte mag onderzoeken op gevaarlijke voorwerpen en potentieel bewijsmateriaal, omdat bij elke aanhouding het risico bestaat dat de verdachte dergelijke voorwerpen bij zich draagt. Een vergelijkbaar risico bestaat volgens het
Supreme Courtechter niet ten aanzien van data die zich op mobiele telefoons bevinden. De doorzoeking van de gegevens op een mobiele telefoon kan niet worden vergeleken met het onderzoeken van fysieke voorwerpen die bij de verdachte worden aangetroffen. [62] Het
Supreme Courtoverweegt vervolgens dat de data op een telefoon geen gevaar kunnen opleveren voor de politieambtenaar die de verdachte aanhoudt, zodat hierin geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor het zonder
search warrantdoorzoeken van de mobiele telefoon na de aanhouding van de verdachte. De fysieke telefoon mag hier wel op worden onderzocht, bijvoorbeeld om te controleren of er geen wapen tussen de onderdelen van de telefoon is verstopt, maar de data op de telefoon niet. Ook de tweede reden – het snel veilig kunnen stellen van bewijsmateriaal – vormt volgens het
Supreme Courtgeen rechtvaardiging voor de doorzoeking van een mobiele telefoon na de aanhouding van de verdachte zonder
search warrant. Het
Supreme Courtconcludeert dat noch de veiligheid van de opsporingsambtenaar noch de noodzaak om bewijs veilig te stellen in zijn algemeenheid een rechtvaardiging kan vormen voor het doorzoeken van een mobiele telefoon zonder
search warrant.
Supreme Courtin op de vraag in hoeverre de verdachte er bij de aanhouding nog op mocht rekenen een recht op privacy te hebben. [63] Deze vraag speelt immers ook een rol bij de beoordeling van de vraag of de
search-incident-to-arrest-exceptie in gevallen als de onderhavige van toepassing is. Uit eerdere rechtspraak van het
Supreme Courtblijkt dat de aangehouden verdachte ‘
diminished privacy interests’ heeft. Als de verdachte is aangehouden, vormt die aanhouding al een dusdanige inbreuk op zijn privacy, dat de inbeslagneming van bij hem aangetroffen voorwerpen een vrij beperkte extra inbreuk is. Het
Supreme Courtoordeelt echter dat van een dergelijke beperkte extra inbreuk op de privacy geen sprake is als het gaat om de doorzoeking van gegevens op mobiele telefoons. Daartoe benadrukt het
Supreme Courtdat de gebruiker van een smartphone daarin veelal veel meer privacygevoelige informatie mee draagt dan hij ooit in fysieke zin mee zou kunnen nemen. Het
Supreme Courtoverweegt:
Supreme Courtoverweegt dat zijn uitspraak niet betekent dat mobiele telefoons in het geheel niet mogen worden doorzocht, maar dat deze alleen mogen worden doorzocht als daartoe een
warrantis verstrekt. [65] Dat de
search-incident-to-arrest-exceptie niet kan worden toegepast op smartphones, neemt bovendien niet weg dat er in bepaalde situaties andere uitzonderingen kunnen bestaan op het vereiste van een
warrant:
Exigencieskunnen overeenkomen met situaties waarin ook de
search-incident-to-arrest-exceptie van toepassing kan zijn. [67] Tussen deze twee uitzonderingen bestaat echter een belangrijk verschil: het
Supreme Courtheeft de
search-incident-to-arrest-exceptie in zijn algemeenheid van toepassing verklaard, zodat de rechter niet hoeft te toetsen of bij de aanhouding van de verdachte aanwijzingen bestonden dat hij gevaarlijke voorwerpen of potentieel bewijsmateriaal bij zich droeg.
Exigenciesdaarentegen dienen van geval tot geval te worden vastgesteld. De rechter moet in elke afzonderlijke zaak waarin een beroep wordt gedaan op
exigenciesdie de doorzoeking zonder
warrantzouden rechtvaardigen, aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval onderzoeken of die rechtvaardiging daadwerkelijk bestond. [68]
Balans
Riley v. Californiaen
United States v. Wurieheeft het
Supreme Courtvan de Verenigde Staten geoordeeld dat het in zijn algemeenheid niet is toegestaan om een in beslag genomen mobiele telefoon op basis van die bevoegdheid tot inbeslagneming nader te onderzoeken. Daarbij heeft zwaar meegewogen dat een mobiele telefoon heden ten dage in de regel veel privacygevoelige informatie bevat die veel aspecten van het leven van de gebruiker betreft. De in art. 94 Sv Pro opgenomen gronden voor inbeslagneming, met name het aan het licht brengen van de waarheid, in combinatie met de in art. 95 Sv Pro gegeven bevoegdheid om de voorwerpen die de verdachte bij zich draagt in beslag te nemen, vertonen enige gelijkenis met de
search-incident-to-arrest-exceptie op het vierde amendement bij de Amerikaanse grondwet. In beide gevallen gaat het om een bevoegdheid die kan worden aangewend in aansluiting op de rechtmatige aanhouding van de verdachte en zonder dat hiertoe een rechterlijke machtiging wordt verstrekt. In geval de benadering van het
Supreme Courtzou worden toegepast op het Nederlandse wettelijke kader, dan zou een telefoon die op grond van art. 95 (dan wel art. 96) Sv, in verbinding met art. 94 Sv Pro, in beslag is genomen slechts mogen worden onderzocht na een rechterlijke machtiging.
Supreme Courtstaat het oordeel van het Belgische Hof van Cassatie. Uit de algemene bevoegdheid tot inbeslagneming van zaken leidt het Hof van Cassatie af dat een in beslag genomen mobiele telefoon ook op haar inhoud mag worden onderzocht. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de bevoegdheid tot inbeslagneming mag worden aangewend om het geheugen van de in beslag genomen mobiele telefoon uit te lezen. Deze benadering vertoont gelijkenis met de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd. Wanneer wordt overgegaan tot het onderzoeken van gegevens die niet op de telefoon zijn opgeslagen, maar op een daarmee in verbinding staand netwerk, is sprake van een netwerkzoeking. Voor het doen van een netwerkzoeking is naar huidig Belgisch recht wel een rechterlijke machtiging vereist. In een wetsontwerp wordt voorgesteld dat een niet-heimelijke netwerkzoeking in het vervolg door de procureur des Konings kan worden bevolen. Als dit wetsontwerp tot wet wordt verheven, is een rechterlijke machtiging niet langer vereist.
Staatsanwalten zijn
Ermittlungspersonenvoor het doornemen van papieren en gegevensdragers voorafgaand aan de inbeslagneming. In 2005 heeft het
Bundesverfassungsgerichtgeoordeeld dat specifieke bepalingen in de StPO over het opvragen van verkeersgegevens moeten worden nageleefd als de verkeersgegevens op een in beslag genomen telefoon worden uitgelezen. Dat betekent dat sprake moet zijn van een verdenking van bepaalde in de wet genoemde ernstige misdrijven en dat bovendien een rechterlijke machtiging is vereist. Daarmee is het onderzoek van de inhoud van smartphones in Duitsland met meer waarborgen omgeven dan in Nederland. De vraag of een inmenging in de in art. 8, eerste lid, EVRM gewaarborgde rechten bij wet is voorzien, als bedoeld in het tweede lid van art. 8 EVRM Pro, is daarmee eenvoudiger in bevestigende zin te beantwoorden dan in de Nederlandse situatie.
some basis in domestic law’. Vervolgens rijst de vraag of de kwaliteit van de wet ook dusdanig is dat de inmenging geacht moet worden bij wet te zijn voorzien.
Mate van inmenging in privéleven
Supreme Courtvan de Verenigde Staten bij zijn oordeel in de zaak
Rileydat een onderzoek in een smartphone zonder
warrantin beginsel ontoelaatbaar is zwaar heeft laten wegen “
that many of the more than 90% of American adults who own a cell phone keep on their person a digital record of nearly every aspect of their lives – form the mundane to the intimate”. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de smartphone als houder van privéinformatie, waarop gegevens staan die voorheen in de huiselijke omgeving werden bewaard, zoals fotoalbums, contactgegevens, agenda’s en dagboeken, terwijl daarop ook chatgesprekken van persoonlijke aard kunnen worden aangetroffen en informatie die inzicht biedt in de plaatsen waar de gebruiker van de smartphone heeft verbleven, met welke telefoons contact heeft plaatsgevonden en welke websites hij of zij heeft bezocht. Gezondheidsapps kunnen zelfs inzicht bieden in de medische gesteldheid van de gebruiker. In dit verband is in de literatuur gesteld dat een smartphone een tamelijk volledige blauwdruk bevat van iemands persoonlijke leven en dat veel van de informatie die via een in beslag genomen smartphone beschikbaar komt voorheen alleen te achterhalen was via een doorzoeking in de woning of via het onderscheppen van telecommunicatie. [71] Waar voorheen het grootste deel van het privéleven in de woning achterbleef, dragen veel mensen dat tegenwoordig - althans voor een deel - in hun smartphone mee. Daarbij verdient opmerking dat dezelfde soort gegevens die thans via een smartphone zijn te raadplegen in het verleden veelal slechts door middel van de uitoefening van meer ingrijpende bevoegdheden, zoals de doorzoeking van een woning, waren te achterhalen. De toepassing van die ingrijpende bevoegdheden is in het algemeen met meer waarborgen omkleed dan de bevoegdheden tot inbeslagneming op de voet van de artikelen 95 en 96 Sv.
a serious interference’in het privéleven van de gebruiker van de smartphone. Dat geldt in elk geval als alle gegevens van de smartphone worden uitgelezen. Het ligt dan ook in de rede aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van het EHRM inzake ‘
search and seizure’. Dat betekent dat de inmenging moet zijn gebaseerd op ‘
a law that is particularly precise’ en dat het essentieel is ‘
to have clear, detailed rules on the subject’.
Voldoende waarborgen?
discretion to assess the expediency and scope’ van het onderzoek van de inhoud van de smartphone. Wel geldt ten aanzien van het onderzoek aan een in beslag genomen smartphone de algemene verbaliseringsplicht van art. 152 Sv Pro. [75] Deze verbaliseringsplicht brengt naar mijn mening mee dat een opsporingsambtenaar die de inhoud van een smartphone onderzoekt proces-verbaal zal moeten opmaken waarin hij relateert welk onderzoek aan de smartphone is verricht, van welke inhoud kennis is genomen en welke gegevens uit de smartphone zijn gelicht.
Supreme Courtvan de Verenigde Staten was het ontbreken van een dergelijke voorafgaande rechterlijke toestemming van beslissende betekenis. Uit de hiervoor beschreven rechtspraak van het EHRM volgt dat het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke toetsing onder omstandigheden kan worden gecompenseerd door een effectieve rechterlijke toetsing achteraf. De vraag rijst of de Nederlandse wettelijke regeling daarin voorziet.
lawfulness’van als de ‘
justification’ voor het onderzoek aan de smartphone toetsen. Art. 359a Sv bevat tevens een voorziening voor het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen, waaronder bewijsuitsluiting. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt evenwel dat de lat voor het verbinden van het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting aan een vormverzuim hoog ligt, terwijl deze toetsing uitsluitend kan plaatsvinden indien de inbeslagneming wordt gevolgd door een strafrechtelijke vervolging en een terechtzitting. [78]
Supreme Courtin de Verenigde Staten. De noodzaak van nadere wetgeving op dit terrein onderschrijf ik. Deze zal toereikend moeten zijn voor alle soorten onderzoek die aan in beslag genomen smartphones worden verricht. In de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van in beslag genomen computers lees ik niet dat in dit verband onderscheid wordt gemaakt naar gelang het verrichte onderzoek al dan niet ingrijpend is. De praktijk biedt in dat verband ten aanzien van smartphones echter een gemêleerd beeld: van het vluchtig en gericht bekijken van de laatste berichten op de telefoon na daartoe de pincode van de gebruiker te hebben vernomen tot het maken en analyseren van een volledige forensische kopie van de smartphone en het voor zover mogelijk weer zichtbaar maken van verwijderde berichten, afbeeldingen en andere bestanden, nadat de pincode is ‘gekraakt’. [82]
discretion to assess the expediency and scope’ van het onderzoek. Tegen deze achtergrond en in het licht van de rechtspraak van het Europese Hof, is het zeer de vraag of het bepaalde in art. 359a Sv naar Straatsburgse maatstaven in voldoende mate compensatie biedt voor het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke toetsing. Een nadere wettelijke regeling die voorziet in adequate waarborgen is geboden.
tweede middelbevat de klacht dat het medeplegen niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
II.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 maart 2014, voor zover inhoudende:
- zijn verklaring dat hij [betrokkene 1] al een jaar of twee kent;
- zijn verklaring dat hij op 8 maart en op 9 maart telefonisch contact gehad heeft met [betrokkene 1] ;
- zijn verklaring dat hij de op zijn mobiele telefoon aangetroffen foto’s van [betrokkene 1] heeft gekregen via de telefoon van ‘ [betrokkene 2] ’, althans de persoon die ze ‘ [betrokkene 2] ’ noemen maar die [betrokkene 2] heet;
- zijn verklaring dat hij ongeveer 100 bollen geslikt heeft;
- zijn verklaring dat [betrokkene 2] voor zijn vertrek naar luchthaven Zanderij foto’s van hem had gemaakt;
- zijn verklaring dat hij zou worden opgehaald door een onbekende man, die hij op luchthaven Zanderij aan de telefoon had gehad;
- zijn verklaring dat hij, toen hij geland was op Schiphol, werd gebeld door de man die hem kwam ophalen en hem vertelde dat hij een foto van hem had op zijn telefoon zodat hij wist hoe hij er uit zag;
- zijn verklaring dat hij voor het laatst door de man gebeld werd toen hij werd opgehouden bij de Marechaussee en dat de man ophing toen hij vertelde dat hij bij de Marechaussee zat;
- zijn verklaring dat hij bij aankomst drie werd aangesproken door een lange man, die ook is aangehouden, die in het Surinaams zei ‘kom met mij mee’ en hem meenam naar een donkere Audi A3;
- zijn verklaring dat hij de telefoon van [betrokkene 2] had gekregen;
- zijn verklaring dat hij – toen hij een Surinaamse man met een trekkoffer zoekend zag rondlopen – belde naar [verdachte] en hem vroeg hoe de man er uit moest zien en dat [verdachte] zei dat hij een grijze trui aan had en dat hij [betrokkene 1] heette;
- zijn verklaring dat hij [betrokkene 1] nog nooit gezien heeft;”
De politierechter acht op grond van de stukken uit het dossier een vrijspraak van verdachte [betrokkene 1] niet aannemelijk. De politierechter leidt uit de stukken een duidelijke betrokkenheid van verdachte bij de komst van [betrokkene 1] naar Nederland af, een betrokkenheid die niet anders kan worden ingevuld dan dat verdachte op de hoogte was van het feit dat [betrokkene 1] een hoeveelheid cocaïne bij zich droeg. Een en ander kan onder meer worden afgeleid uit de telefonische (whatsapp) contacten tussen ‘ [betrokkene 2] ’ ( [betrokkene 2] ) en verdachte voorafgaand aan het feit en de telefonische contacten tussen [betrokkene 1] en verdachte de dag van vertrek en de dag van aankomst - waarbij verdachte [betrokkene 1] een vriend noemt maar [betrokkene 1] verklaart verdachte niet te kennen - en het telefonische contact tussen verdachte en [betrokkene 3] waarbij verdachte een foto van [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] stuurt. Ook de omstandigheid dat verdachte, zonder dit tegen zijn vrienden te zeggen, een taxi neemt als hij ziet dat de Marechaussee bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] staat, maakt de lezing van verdachte dat hij van niets wist ongeloofwaardig. De politierechter gaat dan ook aan de verklaring van verdachte voorbij.”