Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2009:BF5603

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11672
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Politiewet 1993Art. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid gebruik warmtebeeldkijker bij opsporing hennepkwekerij

In deze zaak stond het gebruik van een warmtebeeldkijker door opsporingsambtenaren centraal bij het onderzoek naar een vermoedelijke hennepkwekerij in de woning van verdachte. De politie verrichtte op basis van aanwijzingen en een contract voor stroomlevering een onderzoek waarbij een warmtebeeldkijker werd ingezet. Dit leidde tot de ontdekking van een hennepkwekerij.

De verdediging stelde dat het gebruik van de warmtebeeldkijker onrechtmatig was en dat het bewijs daardoor uitgesloten moest worden. Tevens werd aangevoerd dat het gebruik van de warmtebeeldkijker een inbreuk maakte op het recht op privacy zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro en dat artikel 2 van Pro de Politiewet 1993 geen grondslag bood voor deze inbreuk.

Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat het gebruik van de warmtebeeldkijker een toegestane, oppervlakkige controle betreft die geen stelselmatige observatie inhoudt en slechts een algemene aanwijzing geeft voor een ongewone warmtebron. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep voor het overige, maar verminderde de opgelegde taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De uitspraak bevestigt dat het gebruik van warmtebeeldtechnologie door politie binnen de kaders van de Politiewet 1993 valt en geen disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormt, mits het gebruik beperkt en incidenteel is.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het gebruik van de warmtebeeldkijker rechtmatig is en vermindert de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

20 januari 2009
Strafkamer
07/11672
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 september 2006, nummer 21/006122-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats], wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiar 100 dagen hechtenis.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat de met betrekking tot de feiten 3 en 5 verrichte doorzoekingen onrechtmatig hebben plaatsgevonden hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting.
3.2. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Verweer
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ten aanzien van de onder 3 en 5 tenlastegelegde feiten er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden dan wel tot strafvermindering.
De gronden van het verweer heeft de raadsvrouw verwoord in de door haar ter zitting overlegde pleitnotities.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit:
Uit het proces-verbaal van politie, nr. PL0971/02-610164 blijkt dat naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij in Woerden en de omstandigheid dat verdachte in die zaak (feit 1) als verdachte werd aangemerkt alsmede de door [betrokkene 1], medewerker van [A] te [plaats], gedane mededeling dat verdachte bij hen een contract voor de levering van stroom van [A] had lopen voor een loods/woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] en de mogelijkheid dat op dat adres een hennepkwekerij aanwezig zou zijn, de politie op 23 oktober 2002 rond de woning van verdachte in [plaats] een onderzoek heeft ingesteld naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij. Dat er toen daarvoor geen aanwijzingen zijn aangetroffen.
Vervolgens heeft een medewerker van [A] met behulp van een warmtebeeldkijker nader onderzoek verricht uit welk onderzoek het vermoeden van een aanwezige hennepkwekerij werd bevestigd.
Bij een nader onderzoek van de politie op 19 november 2002 is met gebruikmaking van een warmtebeeldkijker bij die loods/woning van verdachte duidelijk geworden dat in die woning naar alle waarschijnlijkheid een hennepkwekerij moest zijn gevestigd.
Het hof is van oordeel dat de opsporingsambtenaren op grond van deze feiten en omstandigheden in redelijkheid tot het oordeel hebben kunnen komen dat er vermoedelijk sprake was van overtreding van de Opiumwet en derhalve een onderzoek hebben kunnen instellen naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij.
De hulpofficier van justitie heeft derhalve naar het oordeel van het hof een machtiging tot binnentreden kunnen afgeven, waarna de politie de woning is binnengetreden en op de zolderverdieping van de woning een geheel ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen.
Het verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit:
Uit het proces-verbaal van politie, nr. PL0971/04-005963, blijkt dat op 4 maart 2004 een medewerker van [A], in het bijzijn van de verbalisanten, met behulp van een warmtebeeldkijker onderzoek heeft verricht bij de woning [a-straat 1] te [plaats].
Hierbij werd het vermoeden van een aanwezige hennepkwekerij bevestigd.
Ambtshalve was het verbalisanten bekend dat verdachte in oktober 2002 woonachtig was aan dat adres en dat hij in die maand als verdachte is gehoord ter zake het aanwezig hebben van een hennepkwekerij.
Op 18 maart 2004 zijn verbalisanten naar genoemde woning gegaan en is met een warmtebeeldkijker een onderzoek verricht. Duidelijk werd dat in de woning naar alle waarschijnlijkheid een hennepkwekerij moest zijn gevestigd.
Vervolgens is met toestemming van de in de woning aanwezige [betrokkene 2], de (toenmalige) partner van verdachte, de politie de woning binnengegaan waarna op de zolderverdieping een geheel ingerichte hennepkwekerij werd aangetroffen.
Naar het oordeel van het hof is in het recht geen steun te vinden voor de stelling van de raadsvrouw dat het opsporingsambtenaren niet is toegestaan met behulp van een warmtebeeldkijker een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een ongewone warmtebron (zoals vaak gebruikt bij hennepkwekerijen) bij een persoon die in het verleden meer dan eens in aanraking is gekomen met politie en/of justitie ter zake overtreding van de Opiumwet. Het hof is van oordeel dat de opsporingsambtenaren in een dergelijk geval, gelet op artikel 2 van Pro de Politiewet, de bevoegdheid hebben een dergelijke - oppervlakkige - controle te verrichten.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 3 en 5 ook betoogd dat met het gebruik van een warmtebeeldkijker artikel 8 van Pro het EVRM, het recht op privacy, wordt geschonden.
Het hof is van oordeel dat het gebruik maken van een warmtebeeldkijker geen inbreuk vormt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte, nu hierbij geen sprake is geweest van een stelselmatige observatie, die tot resultaat kan hebben dat een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van verdachtes leven.
Het hof acht een dergelijke inbreuk met name niet aanwezig omdat het hier gaat om een opsporingsmiddel dat slechts éénmalig is ingezet en niet meer kan opleveren dan een algemene aanwijzing voor een ongewone warmtebron (in of bij een woning) op een bepaald perceel."
3.3. Het middel berust op de opvatting dat elk gebruik van de warmtebeeldkijker waarbij de zich in de woning van de verdachte bevindende warmtebron wordt gemeten een zodanige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dat voor deze inbreuk art. 2 Politiewet Pro 1993 geen grondslag kan bieden. Die opvatting is onjuist. Reeds daarop stuit het middel af.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 190 uren bedraagt;
vermindert de vervangende hechtenis in die zin dat deze 95 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 januari 2009.
Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.